CO₂-uitstoot uit veen fors lager na profielkeren

Voorlopige onderzoeksresultaten uit de Groote Veenpolder van Echten (FRL)

Binnen VIPNL wordt onderzocht wat het effect is van profielkeren op onder andere de uitstoot van broeikasgassen. Twee jaar na aanleg van een proefveld in de Groote Veenpolder van Echten zijn nu de eerste voorlopige resultaten beschikbaar. Die wijzen op een sterke verlaging van de CO2-uitstoot uit veen dat door profielkeren onder de grondwaterspiegel is gebracht.

Profielkeren: de bodem op z’n kop

Bij profielkeren wordt het bodemprofiel letterlijk omgekeerd. Het bovenliggende veen wordt dieper in de bodem gebracht, zoveel mogelijk onder de grondwaterspiegel. Het zand dat eronder ligt komt erboven. De teeltlaag wordt eerst opzijgelegd en na het keren weer teruggeplaatst, om de vruchtbaarheid te behouden. Het doel is om het veen langdurig zuurstofloos te houden. Deze maatregel is vooral geschikt voor percelen met een dunne veenlaag van maximaal 1 meter.

“Als veen boven de grondwaterspiegel komt te liggen, kan er zuurstof bij komen en dan begint het af te breken”, legt Maaike van Agtmaal, onderzoeker bij het Louis Bolk Instituut, uit. “Dat heet veenoxidatie en daarbij komt vooral CO2 vrij. Door het veen onder water te brengen, rem je dat proces.”

Een eerste blik onder de waterspiegel

Veldmetingen van CO2 zijn in de eerste jaren na het aanleggen van het proefveld lastig, omdat de bodem sterk is verstoord. Toch is afgelopen zomer besloten om labmetingen uit te voeren, om een eerste indicatie te krijgen of er door profielkeren een daling in CO2-uitstoot te verwachten is. Twee jaar na de profielkering zijn daarvoor bodemmonsters genomen om in het lab te bestuderen.

De bemonstering was een precisiewerk. De monsters liggen voor een deel onder de grondwaterspiegel en moesten zo zuurstofloos mogelijk worden genomen en verwerkt. “Zelfs een paar procent zuurstof kan invloed hebben op de uitkomst”, zegt Maaike. “De monsters zijn daarom onder strikt gecontroleerde omstandigheden genomen en ook in het lab zonder zuurstof onderzocht.”

Er zijn monsters genomen uit vier profielkerenplots en vier controleplots, met vier herhalingen per plot. In beide gevallen is de veenlaag bemonsterd op twee dieptes: een toplaag en een diepere onderlaag (zie afbeelding 1). Omdat het veen in de profielgekeerde plots dieper ligt, zijn daar ook monsters op grotere diepte genomen.

Grondmonsters die genomen zijn uit twee dieptes in de veenlaag van vier controle- en vier profielkerenplots, met vier herhalingen per plot.

 

Voorlopige metingen in het lab tonen sterke CO2-reductie

In het lab is per laag de CO2-emissie gemeten onder omstandigheden die overeenkomen met de veldsituatie. De monsters uit de toplaag van de controleplots zijn gemeten onder zuurstofrijke omstandigheden, omdat deze laag in het veld ook met zuurstof in contact komt. De overige monsters zijn zuurstofvrij verwerkt en gemeten, omdat deze lagen in het veld onder de grondwaterspiegel liggen.

Wanneer de toplagen worden vergeleken (links in afbeelding 2), blijkt dat de CO2-emissie in de gekeerde veenlaag substantieel lager is dan in de toplaag van het niet-gekeerde veen. Dit is de laag die door profielkeren onder de grondwaterspiegel is gebracht.

Ook de onderlagen geven een lagere CO2-emissie dan de toplaag van het controle plot (rechts in afbeelding 2). Wel is er meer variatie zichtbaar en ligt het gemiddelde in de onderlaag van de controle iets hoger dan in het gekeerde profiel. “Daar zijn verschillende mogelijke verklaringen voor, die in vervolgonderzoek nader worden onderzocht,” zegt Maaike.

De metingen laten daarmee zien dat onder zuurstofloze omstandigheden een sterke reductie van CO2-uitstoot optreedt. Daarmee geven de metingen een duidelijke indicatie dat profielkeren twee jaar na aanleg de emissie uit veenbodems kan verminderen.

Voorlopige resultaten van labmetingen van CO2-emissie uit veengrondmonsters (toplaag en onderlaag, zie afbeelding 1) na profielkeren, vergeleken met controleplots. Deze labmetingen zijn uitgevoerd aan de Universiteit Utrecht door Maaike van Agtmaal, Simone Weidner en Luuk Spierings van het Louis Bolk Instituut, in samenwerking met Joost Keuskamp van Biont Research.

Nuancering en vervolg

Tegelijk benadrukt Maaike dat het om voorlopige resultaten gaat. “Het betreft labmetingen op één meetmoment. De veenafbraak onder water is niet volledig nul, maar wel zeer laag. Hoe laag precies en of dit effect stabiel blijft, moeten we nog vaststellen.”

Komende zomer volgen nieuwe labmetingen, waarbij ook redoxcondities en het koolstofgehalte van het veen worden meegenomen. Als deze metingen vergelijkbare resultaten laten zien, wordt de aanwijzing dat profielkeren CO2-uitstoot vermindert sterker. Omdat labmetingen kunnen afwijken van metingen in het veld, is vervolgonderzoek in de praktijk nodig. “Deze eerste resultaten van labmetingen laten in ieder geval zien dat het de moeite waard is om met de proef verder te gaan en later ook metingen in het veld te gaan doen”, aldus Maaike.

De CO2-metingen maken deel uit van een breder onderzoek binnen VIPNL, waarbij ook gekeken wordt naar onder andere bodemstructuur, draagkracht, bodemleven, gewasgroei en kosten. “Het gaat niet alleen om klimaatwinst”, benadrukt Maaike. “Een maatregel moet ook praktisch toepasbaar zijn voor boeren.”

Ook onderzoek naar overlagen

Naast profielkeren wordt er in het VIPNL-programma ook onderzoek gedaan naar overlagen. Daarbij wordt een dunne laag klei of zand boven op het veen aangebracht, zodat het minder makkelijk in contact komt met zuurstof. Ook voor deze maatregel worden binnenkort labmetingen uitgevoerd om te onderzoeken wat er onder de afdeklaag gebeurt.

Eindconclusies Boeren op Hoog Water: het kan, maar het kost wat

Het eerste deel van VIPNL-onderzoeksprogramma Living Lab Boeren op Hoog Water is afgerond met een eindrapportage (pdf). Op de website staan in de themasheet de belangrijkste conclusies uitgebreid uitgelicht. Hier een kort overzicht.

Wat betekent een verhoging van de grondwaterstand (circa 20 cm in plaats van 50 cm onder maaiveld) voor broeikasgasemissies, bodemdaling en het economisch perspectief van melkveebedrijven? Dat was de belangrijkste vraag.

Vergelijking drie bedrijfssystemen

Daarvoor zijn op de Hoogwaterboerderij in Zegveld tussen 2020 en 2024 drie bedrijfssystemen vergeleken:

  • met Holstein Friesians bij lage grondwaterstand (zonder waterinfiltratie)
  • met Holstein Friesians bij hoge grondwaterstand (met waterinfiltratiesysteem)
  • met Jerseys bij hoge grondwaterstand (met waterinfiltratiesysteem)

Conclusies

Hier de zes belangrijkste conclusies.

1. Lagere broeikasgas- en ammoniakemissies

Hoog water gaf een 15-18% lagere uitstoot van broeikasgassen (vooral CO2 uit de bodem) per hectare. Er was 62% minder veenafbraak en CO₂-emissies uit de bodem, maar dat werd deels tenietgedaan door de extra aanvoer van ruw- en krachtvoer van buiten het bedrijf. Er was een lagere emissie van ammoniak (4-14% minder per kg meetmelk). Dit kwam vooral door een lager eiwitgehalte in gras en rantsoen.

2. Lager bedrijfsresultaat door ruwvoer en waterbeheer

Door de hogere grondwaterstand daalde het saldo gemiddeld met € 147 per koe per jaar (variërend tussen € 9 tot € 393 minder), vooral door de hogere ruwvoerkosten. Daar komen nog de kosten bij van het waterinfiltratiesysteem van circa € 603 per hectare per jaar, ofwel € 297 per koe.

3. Beperkt effect op bodem en gras, behalve bij extreme natheid

De verhoogde grondwaterstand had in 2021-2023 verrassend genoeg nauwelijks effect op het aantal weidedagen of op het moment van oogsten. In het zeer natte voorjaar van 2024 was er echter wél een groot effect op het aantal weidedagen, en ook op de mogelijkheden om het gras te oogsten.
Qua grasopbrengst waren er in 2021 niet of nauwelijks verschillen, maar de opbrengstreductie liep op in het natte jaar 2024, met name op de hoogwaterveldkavel. Het ruweiwitgehalte nam licht af, maar verder waren er geen consistente verschillen in graskwaliteit tussen de hoog- en laagwaterpercelen in 2020-2023. Echter, in 2024 was de voerderwaarde van de zeer late eerste snede op de hoogwaterpercelen aanzienlijk lager.

4. Geen negatieve effecten op diergezondheid en melkproductie

Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor verhoogde risico’s voor de diergezondheid. Waar nodig werd een lagere voerkwaliteit gecorrigeerd met bijvoer, gericht op behoud van conditie en gewicht. Mede daardoor was er geen verschil in melkproductie. Leverbot, salmonella en lidrus waren (min of meer) afwezig op de gehele Hoogwaterboerderij, ongeacht de grondwaterstand.

5. Weinig effect op biodiversiteit

Er zijn weinig tot geen effecten geconstateerd op de biodiversiteit. Voor de meeste soortgroepen had de keuze ‘weiden of maaien’ meer invloed dan de grondwaterstand. Libellen werden wel vaker gezien bij hoogwaterpercelen. Slootkanten waren veel rijker aan plantensoorten dan de graspercelen, ongeacht de grondwaterstand.

6. Iets gunstiger stikstofbeeld bij hoogwater

De meetwaarden stikstof en fosfor van het hoog- én laagwatersysteem waren veelal hoger (vooral in perioden met een neerslagoverschot) dan in het referentiewater. Voor totaal N (Nts) had het laagwatersysteem een hoger gemiddelde en een grotere variatie in meetwaarden dan het hoogwatersysteem.
Na vijf groeiseizoenen (2020-2024) kunnen we concluderen dat het op de Hoogwaterboerderij in Zegveld technisch mogelijk is om een melkveebedrijf te houden bij een grondwaterstand van circa 20 cm onder maaiveld. Deze resultaten zijn specifiek voor deze locatie met haar specifieke bodemopbouw, ligging en weersomstandigheden, en dus niet zonder meer overdraagbaar naar andere veenweidenlocaties.

In 2025-2026 loopt een vervolgonderzoek.

Programmacoördinator Roel van Gerwen neemt afscheid

In de regio werd al volop geëxperimenteerd, maar met de komst van het Klimaatakkoord ontstond er behoefte aan een landelijk veenweideprogramma. Roel van Gerwen hielp dat programma in de benen en zwaait nu af als programmacoördinator van VIPNL. Tijd voor een gesprek.

“Dat er zo goed wordt samengewerkt tussen zoveel mensen om de klimaatdoelen te halen, dat maakt me wel trots”

De handtekeningen onder het klimaatakkoord waren nauwelijks droog toen de Covid-pandemie uitbrak. Roel van Gerwen had als programmamanager van het Noord-Hollandse veenweideprogramma (Innovatieprogramma Veen) meegedacht aan de klimaattafel veenweide, zat ineens thuis en had tijd genoeg. Hij besloot om maar meteen aan een voorstel voor een landelijk veenweideinnovatieprogramma te beginnen. Die behoefte was er: er gebeurde dan wel van alles in de verschillende veenweideregio’s, dat was erg regionaal en weinig samenhangend. Terwijl nog  grotendeels het inzicht ontbrak hoe in veenweidegebieden de klimaatdoelen gehaald konden worden en wat onder welke omstandigheden het beste werkt.

Roel zocht partners in het Groene Hart en Noord-Nederland en zette samen met Frank Lenssinck (Veenweiden Innovatiecentrum) en Hans van der Werf (Friese Milieu Federatie) de eerste contouren van VIPNL op papier.

Bouwen aan een netwerk

Tijdens de laatste VIPNL-dag op 4 september 2025 zaten er honderd mensen in de zaal, en dat maakt hem toch wel het meest trots, zegt Van Gerwen: de samenwerking die is ontstaan tussen programmapartners, onderzoekers, het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) en alle andere relevante partijen.

Dat betekende dat in 2021, bij de start van het programma, alles nog moest worden opgebouwd: financiering, een programma en het betrekken van de juiste mensen. Van Gerwen vond het daarbij belangrijk om onderzoekers in het juiste spoor mee te krijgen. “Je moet durven je hele onderzoek om te gooien als het nodig is. Innovatie werkt in dat opzicht echt anders dan regulier onderzoek, waarin je vooraf bepaalt hoe je onderzoek eruitziet van begin tot eind. Bij innovatie ga je experimenteren, en als dat niet werkt ga je je experiment aanpassen. Dat is ook regelmatig gebeurd, in het thema natte teelten bijvoorbeeld. Sommige teelten zijn afgevallen, andere toegevoegd.”

Daarbij was het een bewuste keuze om relevante partijen zoals de markt, experts, ervaringsdeskundigen, etc. in elk afzonderlijk thema actief te betrekken, via een begeleidingscommissie. “De begeleidingscommissie heeft een adviserende rol, maar geen sturende rol, er zitten mensen in die er verstand van hebben en kritische vragen stellen. Die heb je nodig om uiteindelijk te komen tot praktisch werkbare en gevalideerde maatregelen die de overheid kan benutten om maatregelen op te schalen.”

Praktische benadering

Van Gerwen heeft altijd die praktische blik gehanteerd: het moet in de praktijk werken. Dat betekent dat maatregelen bij boeren, die voor hun boterham afhankelijk zijn van het land, in het verdienmodel passen. Het betekent ook dat de afzetmarkt voor producten van nieuw landgebruik nu al worden meegenomen. “Neem het gebruik van lisdodde in isolatiemateriaal. Je hebt eigenlijk een geheel nieuwe marktketen nodig in een sector die nu niet duurzaam is. Als je natte teelten serieus neemt, moet je ook daaraan gaan werken.”

De grootste uitdaging voor de toekomst is ook praktisch van aard, denkt Van Gerwen: “Hoe ga je handhaven dat het langjarig beheer van maatregelen op de juiste manier uitgevoerd wordt? Als je je waterinfiltratiesysteem niet onderhoudt, dan is er geïnvesteerd en misschien wel subsidie verleend, maar haal je alsnog je klimaatdoel niet. Je hebt echt een autoriteit nodig die hierop handhaaft.”

Hij ziet daarbij kansen voor de collectieven. “Collectieven staan het dichtst bij de boer. Je ziet in Noord-Holland al hoe dat goed werkt: hier adviseert onze proeftuintrekker Martine Bijman namens collectief Water Land & Dijken boeren over maatregelen, ze vraagt maatregelen aan en regelt dat boeren ermee aan de slag kunnen. Het wordt een grote uitdaging om de uitrol te laten lukken, maar daarom ben ik ook blij met onze proeftuintrekkers die echt met de voeten in het veen staan.”

Roel van Gerwen gaat aan de slag als landschapsarchitect bij het Rijksvastgoedbedrijf onder andere om te werken aan urgente defensieopgaven. Maar hij zal het veenweidedossier met meer dan gemiddelde interesse blijven volgen!

Een vervanger voor Roel wordt gezocht. Zijn taken worden voorlopig waargenomen door Arnoud de Vries van Natuurlijke Zaken: Arnoud de Vries

Overzicht wet- en regelgeving in de maak

Om klimaatdoelen te halen is het van belang dat we tijdig opschalen: van experiment en onderzoek naar inrichting op bedrijfsniveau en zelfs polder- en regionaal niveau. Wet- en regelgeving speelt bij opschalen een belangrijke rol. Daarom heeft VIPNL juridisch adviesbureau Flo Legal gevraagd een goed overzicht te maken van de huidige wet- en regelgeving.

Flo Legal kijkt vooral welke vergunningen nodig zijn om een veengebied klimaatvriendelijker in te richten. Wanneer is er een ontgrondingsvergunning nodig bij profielkeren en wanneer niet? Wanneer moet je een melding doen bij het waterschap? Daarnaast is er ook allerlei wet- en regelgeving gekoppeld aan landgebruik zelf, zoals het krijgen van een gewascode voor natte teelten of het registreren van landbouwgrond en de uitsluiting van watervoerende greppels daarbij.

In de eerste plaats kijkt Flo Legal naar het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving), omgevingsplannen en natuur (Natura 2000 en Flora en fauna activiteit). Hierbij is het van belang om rekening te houden met de effecten die een activiteit kan hebben op een gebied.

De kennis is nuttig om te gebruiken in gebiedsprocessen en maakt het voor initiatiefnemers eenvoudiger om in te kunnen schatten wat ze moeten doen om een maatregel op hun bedrijf te implementeren. Er zijn al 7 thema’s in kaart gebracht, de informatie wordt na de zomer op de website gepubliceerd in de themasheets.

CO2-metingen veenafbraak Delfstrahuizen

VIPNL en het NOBV onderzoeken maatregelen die in de veenweidegebieden bodemdaling en broeikasgasemissies door veenafbraak kunnen tegengaan. VIPNL kijkt daarbij vooral naar de praktische kant van maatregelen: hoe werkt het, kunnen grondgebruikers ermee uit de voeten en kan het economisch uit? Het NOBV doet onderzoek naar broeikasgasuitstoot onder verschillende omstandigheden (zie ook ons eerdere bericht over samenwerking NOBV en VIPNL). Om te zien of een maatregel helpt, wordt onder andere de CO2-uitstoot voortdurend gemonitord. Zo ook op de proeflocatie voor ‘klei in veen’ in Delfstrahuizen.

“Op deze locatie lopen verschillende proeven. Er is een deel met kleipaletten van 2 bij 2 meter met verschillende soorten klei, een wat groter kleiveld met één soort klei, en dan nog een referentieveld waar niets is gebeurd”, vertelt Lena van der Sman, veldmedewerker vanuit de VU voor VIPNL en NOBV. “Op elk van deze drie delen heeft het NOBV een hele serie CO2-meetkamers staan, doorzichtige cilinders met deksels die om de beurt elk kwartier 3 minuten dichtgaan. Daarnaast meten we ook het waterpeil, de samenstelling van het bodemvocht en de bodembeweging. En natuurlijk weerfactoren als temperatuur, zon, wind en luchtvochtigheid.”

Al die gegevens gaan naar de VU en Biont Research, waar onderzoeker Jim Boonman ermee aan de slag gaat. “Die metingen moeten uiteindelijk uitwijzen of klei in veen helpt om de CO2-uitstoot tegen te gaan. Dat is nog niet zo eenvoudig, want het groeiende gras neemt overdag CO2 op en stoot dat ’s nachts ook weer uit”, legt Boonman uit. “Dus daar moet je goed voor corrigeren om de uitstoot door veenafbraak te kunnen bepalen.”

De proeflocatie staat op het land van veehouder Minne Holtrop. Hij is blij met de proeven rond klei in veen. “Tot nu toe zijn eigenlijk alleen maatregelen rond waterpeil in beeld. We hopen dat klei in veen ook een haalbare maatregel blijkt met genoeg CO2-reductie, waarbij wij goed kunnen blijven boeren.”

NOBV gaat meer onderzoek doen naar methaanemissies

Het Nationaal Onderzoeksprogramma Veenweiden (NOBV) doet sinds 2019 onderzoek naar de uitstoot van broeikasgassen in veenweidegebieden – inmiddels ook in intensieve samenwerking met VIPNL. Tot nog toe hadden veel van de onderzochte locaties een beperkte vernatting, waarin vooral de CO2-uitstoot verandert. Er werd al onderzoek gedaan naar situaties met sterke vernatting, zoals natte teelten en natuurontwikkeling, maar in de volgende fase van het onderzoek wordt dit verder uitgebreid. Want vernatten van veenbodems verlaagt misschien de veenafbraak en daarmee de uitstoot van CO2: de uitstoot van methaan en soms lachgas kan juist toenemen – en dit zijn twee hele sterke broeikasgassen. Maar wanneer en hoeveel precies?

VIPNL onderzoekt innovaties die de CO2-uitstoot uit veenweidegebieden terugdringen. Vernatten is daarbij een oplossingsrichting: wanneer je veenweidegebieden vernat, komt minder CO2 vrij, maar het beïnvloedt ook de emissies van methaan en lachgas. Het NOBV onderzoekt die emissies: hoeveel komt onder welke omstandigheden precies vrij?

Minder CO2, meer lachgas en methaan?

Ook bij natte teelten komt minder CO2 vrij door de natte omstandigheden in de bodem. Extra voordeel: ook de gewassen zelf leggen veel koolstof vast. Goed nieuws, zou je zeggen, maar er is een ‘maar’. Onder hele natte omstandigheden kan methaan (CH4) vrijkomen. Ook methaan is een broeikasgas, 27 keer sterker dan CO2. Je kunt met vernatten dus de uitstoot van CO2 verlagen. Maar komt er vervolgens veel methaan en lachgas vrij, dan is dat mogelijk alsnog slecht nieuws voor het klimaat. Het NOBV publiceerde eerder een wetenschappelijk artikel over methaanemissies bij verschillend landgebruik. De komende jaren doet het NOBV ook meer onderzoek naar de uitstoot van lachgas. Lachgas is 250 keer sterker dan CO2.

Meten onder natte en iets minder natte omstandigheden

Het NOBV gaat daarom de komende jaren meer onderzoek doen naar ook de uitstoot van methaan en lachgas: komt het vrij, hoeveel dan, en kun je er wat aan doen? De metingen gebeuren bij gewassen die van natte voeten houden, zoals riet en lisdodde. Daarnaast is de intentie om ook broeikasgasmetingen te gaan doen bij cranberry, dat juist goed groeit op iets drogere grond (een grondwaterstand van 20 centimeter onder maaiveld), maar op andere manieren voor lagere emissies kan zorgen. Tenslotte gaat het NOBV extra metingen doen aan het oppervlaktewater in veenweidegebieden: het vermoeden bestaat dat ook hier veel methaan vrijkomt.

Uitgebreid kijken om goede uitspraken te kunnen doen

De metingen gebeuren in het veld en in het lab. Daarbij worden ook andere parameters gemeten, zoals pH en bodemtemperatuur, om resultaten te kunnen verklaren. Die resultaten worden verwerkt in het model SOMERS, zodat ook voorspellingen kunnen worden gedaan voor gebieden waar niet wordt gemeten. Dit alles gebeurt in intensieve samenwerking met VIPNL, waarbij VIPNL ook kijkt naar broeikasgasuitstoot in de keten. VIPNL kijkt ook naar o.a. verdienmodellen en teeltmethoden. Zo krijgen we stap voor stap het plaatje compleet.

Waarom onderzoeken we dit ook alweer?

Om het veenweidegebied geschikt te maken voor de veehouderij, wordt het grondwaterpeil kunstmatig laag gehouden. Het veen dat in contact komt met zuurstof klinkt in. Dit zorgt voor bodemdaling en CO2-uitstoot. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2030 1 Mton minder CO2-equivalenten vrijkomt uit de veenweidegebieden. VIPNL doet onderzoek naar innovaties die de broeikasgasuitstoot in veenweidegebieden kunnen verlagen, met behoud van een verdienmodel voor boeren.

Foto: Joost Keuskamp

Begeleidingscommissie stuurt op gezamenlijke koers

Op 17 april kwam de begeleidingscommissie Veenmos bijeen voor een halfjaarlijks overleg. In de begeleidingscommissie zit een brede afvaardiging van betrokken partijen. Elk VIPNL-thema heeft zo’n begeleidingscommissie. Dat vinden we heel belangrijk: deze brede samenstelling zorgt ervoor dat het onderzoek goed aansluit bij praktijkvragen én beleidsdoelstellingen.

In de begeleidingscommissie Veenmos zitten vertegenwoordigers vanuit terreinbeherende organisaties (zoals Landschap Noord-Holland en Natuurmonumenten), kennisinstellingen (zoals Hogeschool Van Hall Larenstein, Radboud Universiteit, B-WARE, STOWA), waterschappen (o.a. Waternet, Wetterskip Fryslân), provincies (zoals Fryslân) en ook vertegenwoordigers vanuit de potgrond- en substraatindustrie (zoals Kekkilä-BVB, Jiffy en RHP). Iedere partij kijkt op een andere manier naar het vraagstuk en de oplossingen. Zo is voor de potgrondindustrie een factor als schaal heel belangrijk en de kwaliteit van het eindproduct. Waterschappen zijn benieuwd hoeveel water veenmos telen kost.

Samen de koers bepalen

Tijdens de begeleidingscommissievergaderingen worden voorstellen besproken, aangescherpt en bijgestuurd op basis van actuele inzichten en ervaringen uit het veld. De inbreng van deze groep is daarmee cruciaal voor het bepalen van de richting van het onderzoek.

Op 17 april hebben we een nieuw voorstel gepresenteerd voor aangepast onderzoek in het Ankeveen. We willen hier gaan focussen op veenmos in relatie tot de waterhuishouding – en daar kon iedereen in de begeleidingscommissie zich in vinden. Ook toetsten we alvast de plannen op hoofdlijnen tot 2027. Op verzoek van de commissie gaan we dat nog verder uitwerken.

Meer draagvlak

Dankzij de actieve betrokkenheid van de begeleidingscommissie worden keuzes binnen het VIPNL-project niet alleen beter onderbouwd, maar ontstaat er ook breed draagvlak voor de uitvoering en toepassing van de onderzoeksresultaten. Zo bouwen we samen aan bruikbare kennis voor de toekomst van het veenweidegebied. In het najaar komt de commissie opnieuw bij elkaar.

Wilgen in Business: eerste veldseizoen achter de rug

Onder het VIPNL-thema Natte Teelten startte vorig jaar het onderzoek Wilgen in Business. Het project werd in januari door de provincie Zuid-Holland goedgekeurd als doorbraakproject. Het Veenweiden Innovatiecentrum (VIC) trekt dit onderzoek. De vragen: kunnen we grootschalig wilgen telen onder natte omstandigheden? En wat zijn dan interessante toepassingen? We gaan de winter in met een mooie teeltproef. Daarnaast onderzoeken we wilg als bouwfundament.

Variatie in groei, maar teeltproef kan van start

Op het VIC Innovatieveld is in het voorjaar van 2024 de basis van het proefveld aangelegd: een veld van 60 bij 10 meter met wilgenstekken en ook een veld van 30 bij 10 meter met elzenstekken. Want een monocultuur wilgen zou geen wenselijk beeld zijn in het landschap. Uit eerder onderzoek blijkt dat elzen het goed doen bij hogere waterstanden. Wilgen en elzen zouden in teelt dus een goede combinatie kunnen zijn.

De stekken zijn redelijk aangeslagen en afgelopen seizoen gegroeid. Het Louis Bolk Instituut (LBI) heeft op 24 september groeimetingen aan de wilg en els gedaan en constateerde variatie in hoogte. Met een klein team (veld)experts heeft het LBI vervolgens de proefopzet vormgegeven. Zo kan, ondanks die variatie in groei, een proef worden ingezet met drie gecontroleerde waterstanden (plus een referentie) én voldoende herhalingen. Voordat de winter start, moet de infrastructuur voor de proef gereed zijn. Eén van de proefvakken met wilg en els wordt namelijk volledig onder water gezet. Daarvoor is in november een ‘dijk’ aangelegd (zie foto).

Wilg als bouwfundament

Om te onderzoeken of wilgen geschikt zijn als bio-based bouwmateriaal in het veenweidegebied, is op het VIC Innovatieveld in augustus een eerste fundatieproef gestart. Hierbij is een fundering van wilg aangelegd. Na aanleg van de fundatieproef is direct gestart met meten. Meetstations op zogenaamde zakbakens monitoren dagelijks via GPS de beweging van de fundatie.

Vooralsnog ligt de fundatie erg stabiel. Begin december is, nadat de wilgenfundatie verzadigd is geraakt door het grondwater, het geheel belast tot 750 kg/m2, gelijk aan de belasting van houtskeletbouw. Zal de fundering dit gewicht kunnen dragen? De verwachting is dat we eind volgend jaar de eerste resultaten kunnen delen.

Meer informatie

Wilgen in Business wordt gesubsidieerd via het Vernieuwersnetwerk Biobased Bouwen van Provincie Zuid-Holland. De projectpartners zijn: VIPNL, Veenweiden Innovatiecentrum, Building Balance, Leiden Universiteit, Van Aalsburg, Louis Bolk Instituut, Infram Hydren en Soilspect.

Meer weten? Mail naar martijn@veenweiden.nl

Overijssel met bouwstenen onderbouwd gesprek voeren over veenweide

Interessant, al dat veenweideonderzoek, maar hoe en wanneer heb je daar wat aan? Met bestaande data kun je al heel goed inzichtelijk maken welke keuzes spelen en welke maatregelen relevant zijn op een plek, ook als die maatregelen zich nog niet honderd procent bewezen hebben. Zo heeft de provincie Overijssel een uitgebreide verkenning laten maken: Bouwstenen Veenweidestrategie 2.0. Bedoeld om onderbouwd het gesprek te kunnen voeren.

Kies je op deze plek voor maximale remming van bodemdaling? Dan heeft dat deze consequenties voor natuur en landbouw. Ga je voor ingrijpende of minder ingrijpende maatregelen? En wat kosten die dan? Wat zijn de gevolgen op korte en lange termijn?

Het is dit soort informatie op perceelsniveau dat provincie Overijssel heeft laten uitwerken in bouwstenen. De bouwstenen zijn het resultaat van een objectieve analyse van data.

Kosten en baten van keuzes in beeld

Elk veenweidegebied is anders. Ook spelen er verschillende belangen, klimaat, landbouw, natuur en wonen. Maatregelen tegen bodemdaling werken op een plek wel, juist niet of alleen na kostbare ingrepen. Soms is ingrijpen op de korte termijn al noodzakelijk om te voorkomen dat veen verdwijnt. Keuzes hebben natuurlijk ook gevolgen voor de langere termijn.

Kortom: er valt wat te kiezen. Het rapport maakt die keuzes niet, dat is immers aan beleidsmakers, maar maakt wel de voors en tegens inzichtelijk.

Insteek veenweidegebied, basis voor integraal gesprek

De bouwstenen zijn opgesteld bezien vanuit de veenweideproblematiek: bodemdaling en broeikasgasuitstoot. De provincie Overijssel staat aan de lat voor het terugdringen van ongeveer 100.000 ton CO2-eq, ongeveer 10% van de landelijk opgave.

Het is wel de bedoeling om integraal met de veenweideproblematiek aan de slag te gaan. Het begint met de afweging in hoeverre het principe ‘water en bodem sturend’ leidend moet zijn. Daarna gaat de provincie met deze bouwstenen het gesprek in de regio voeren.

Uiteindelijk worden de bouwstenen gebruikt bij onderbouwing en concretisering van de maatregelen uit het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG). In het PPLG worden verschillende vraagstukken in het landelijk gebied op integrale wijze aangepakt, van stikstof tot bodemdaling.

Bouwstenen Veenweidestrategie 2.0 brief + rapport Provincie Overijssel (notubiz.nl)