Aan welke knoppen kun je draaien?
Binnen het onderzoek van VeeST (Veenweidesloot van de Toekomst) staat de vraag centraal: hoe kun je met beheer de kwaliteit van de veenweidesloten in Nederland verbeteren, nu en in de toekomst? Maatwerk lijkt het sleutelwoord. Uit de resultaten tot nu toe blijkt namelijk dat sloten verschillend reageren op beheer. Bodemopbouw, slibsamenstelling en lokale omstandigheden spelen daarbij een grote rol. In de praktijk blijkt dat er meerdere ‘knoppen’ zijn waar beheerders aan kunnen draaien. Maar welke zijn dat precies en wat betekenen ze voor de sloot?
Onderzoek leidt naar verwachting tot concrete beheeradviezen
Uit de tussentijdse resultaten blijkt dat de ecologische toestand van veenweidesloten zorgelijk is. Tegelijkertijd tonen enkele sloten aan dat herstel mogelijk is, vooral bij terughoudend en zorgvuldig beheer. Naar verwachting leidt het onderzoek van VeeST tot concrete beheeradviezen voor verschillende veenweidesloten. Niet volgens een vast recept, maar volgens een andere manier van kijken en denken: welke keuzes passen bij dit type sloot, op deze plek, en wat wil je daarmee bereiken?
Vijf vormen van beheer in de praktijk
Wie kijkt naar het beheer van veenweidesloten, ziet al snel dat dit bestaat uit een aantal terugkerende handelingen. Binnen VeeST zijn deze samengebracht in vijf hoofdcategorieën:
- maaien van perceel en oever;
- beweiding (koeien in het land met toegang tot de sloot);
- verwijderen van vegetatie uit de sloot;
- baggeren (verwijderen van slib);
- waterbeheer (slootwaterpeilen en afwatering).
Dit zijn de basisvormen van wat in het onderzoek ‘regulier beheer’ wordt genoemd: het beheer zoals agrariërs dat in de dagelijkse praktijk uitvoeren.
Niets doen, tenzij
Tegenover dit reguliere beheer staat een andere benadering: niets doen, tenzij dit nodig is. In de praktijk betekent dit: zo weinig mogelijk ingrijpen. Een deel van de slootvegetatie verwijderen kan nodig zijn voor de aan- en afvoer van water, om woekering van een soort te beperken of om voedingsstoffen af te voeren. Verwijderen kan ook nodig zijn om te voorkomen dat een sloot dichtgroeit en de doorstroming belemmert.
Veel variatie binnen dezelfde vorm van beheer
Hoewel de basisvormen van regulier beheer op het eerste gezicht duidelijk lijken, blijkt de uitvoering in de praktijk sterk te verschillen. Zo kiest de ene beheerder bij het verwijderen van slootvegetatie voor volledige verwijdering met wortels en al, terwijl de ander bewust delen laat staan en alleen boven de wortels afmaait. Ook zijn er verschillen in hoe vaak er gebaggerd wordt en met welke techniek. Hetzelfde geldt voor beweiding: het aantal koeien, de beweidingsduur, de toegang tot de oever – het verschilt per bedrijf.
Machines als bepalende factor
De onderzoekers zien ook dat het gebruik van machines in de praktijk invloed heeft op de fysieke toestand van sloot en oever. Bij het schonen van sloten worden bijvoorbeeld verschillende typen machines gebruikt: van ‘ecoreinigers’ die vegetatie snijden en afvoeren, tot maaikorven die planten snoeien en op de oever leggen. Waar ecoreinigers de bodem zelf niet raken, kan met een maaikorf onbedoeld de vegetatie met wortel en al verwijderd worden. Bij baggeren speelt hetzelfde: een pomp die alleen het slib uit het midden van de sloot verwijdert, heeft een andere impact dan een systeem dat ook materiaal van de zijkanten meeneemt.
Van ‘doen wat moet’…
Een belangrijk inzicht uit het onderzoek tot nu toe is dat beheer vaak wordt uitgevoerd vanuit gewoonte of verplichting. De schouwmeester schrijft bijvoorbeeld voor dat sloten open en op diepte moeten blijven, wat leidt tot regelmatig slootbeheer. Daarnaast zijn beheerpakketten voor de sloot vanuit het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) gericht op het uitvoeren van gespecificeerde beheeractiviteiten. Deze beheeractiviteiten passen niet altijd bij de actuele situatie, waarbij ‘niets doen’ in veel gevallen beter zou zijn voor de kwaliteit en stabiliteit van sloot en oever.
…naar ‘doen wat werkt’
Maar wat als minder ingrijpen ook werkt, of zelfs beter is? Wat als beheeractiviteiten worden afgestemd op de bestaande situatie, de eventuele knelpunten én de gewenste toestand van de sloot? Het VeeST-onderzoek kijkt niet naar de effecten van losse maatregelen of afzonderlijke slootonderdelen. Het zoekt naar de belangrijkste beheerstuurknoppen die samen de kwaliteit van de sloot als geheel beïnvloeden.
Op weg naar beter onderbouwd beheer
Om inzicht te krijgen in de effecten van regulier beheer tegenover zo weinig mogelijk ingrijpen, worden binnen VeeST slootdelen met regulier beheer vergeleken met slootdelen waar nauwelijks wordt ingegrepen. Daarbij houden de onderzoekers rekening met verschillen tussen de sloten, zoals in bodemopbouw en slibsamenstelling. Ook proberen zij de verschillen in beheer verder te duiden en de beheermethodieken te koppelen aan de effecten op draagkracht, slibvorming en oeverstabiliteit.
De komende periode worden de laatste metingen afgerond en geanalyseerd. Dan wordt duidelijker welke beheermaatregelen daadwerkelijk bijdragen aan een betere waterkwaliteit, meer biodiversiteit en stabielere oevers.
Lees meer in de Themasheet VeeST