Veenweidesloot van de Toekomst bij Het Klokhuis

In tv-programma Het Klokhuis laat NMI-onderzoeker Debby van Rotterdam zien hoe sloten weer tot leven kunnen komen. Samen met presentatrice Janouk Kelderman duikt ze (letterlijk) de praktijk in bij Zegveld. Kijk de aflevering van het Klokhuis hier terug (Debby is te vinden vanaf 5:50).

De uitzending laat zien hoe mooi het leven in de sloot is (kijktip: recent verschenen film Sloot!), maar ook dat deze mooie levende sloten niet meer langer vanzelfsprekend zijn in Nederland.

In het VeeST-onderzoek proberen we te begrijpen hoe we de sloten weer vol leven krijgen door het beheer aan te passen. Als een sloot alleen wordt ‘gezien’ als belangrijk voor de aan- en afvoer van water, worden in het najaar alle planten verwijderd. In Het Klokhuis zien we juist hoe mooi oevers worden als het beheer wordt aangepast.

Dit vraagt om anders leren kijken en het herwaarderen van oeverplanten. Deze soorten dragen bovendien bij aan de stabiliteit van de oever. Niets doen is hierbij een belangrijk onderdeel van beheer.

 

Lees meer in de Themasheet VeeST

 

Terugblik webinar Veenweidesloot van de Toekomst

Op dinsdag 30 juni organiseerde het project Veenweidesloot van de Toekomst (VeeST) een webinar over de tussenrapportage van het onderzoek. Bijna 130 agrariërs, waterschappers, beleidsmakers en onderzoekers uit het hele veenweidegebied schoven virtueel aan. Onder leiding van Pui Mee Chan (STOWA) namen drie onderzoekers de deelnemers mee in de eerste resultaten van twee jaar veldwerk, en beantwoordden vragen uit de chat.

Weinig waterplanten, veel slib 

Michiel Verhofstad (FLORON) opende met de stand van de vegetatie. In de meeste van de bijna tweehonderd onderzochte sloten komen maar één of enkele soorten waterplanten voor, en scoort de ecologische kwaliteit daardoor onvoldoende. Op de oever staat wel vegetatie, maar de zone met moeras- en oeverplanten is vaak maar enkele decimeters breed. Juist een bredere oeverzone blijkt samen te hangen met meer plantensoorten en meer stabiliteit.

Debby van Rotterdam (NMI) liet zien wat daaronder zit. Gemiddeld ligt er zo’n 85 centimeter slib op de bodem van de onderzochte sloten en vertoont 95 procent van de oevers onderholling: dun, veraard veen dat onder de waterlijn is weggespoeld terwijl de oever er bovengronds nog intact uitziet. Uit dat slib komen fosfor en ammonium vrij die de terugkeer van waterplanten juist bemoeilijken, een vicieuze cirkel waar het onderzoeksteam nog dieper in zal duiken.

Baggeren en maaien: minder is vaak meer 

Uit de praktijkproeven is de voorlopige conclusie dat te vaak baggeren averechts werkt: het verbetert de waterdiepte, maar verwijdert ook de laatste waterplanten. Terughoudend beheer, zoals minder maaien en vegetatie laten staan, leidt op meerdere plekken tot meer oeverplanten en soms tot stabielere oevers. Maar de uitkomsten verschillen sterk per gebied. Sommige sloten groeien na jaren zonder onderhoud nauwelijks dicht, andere juist snel. Volgens de onderzoekers is er dan ook geen vaste richtlijn: wat werkt hangt af van bodemtype, slibsamenstelling, de toestand van de sloot, en de doelen voor een gebied.

Signalen uit de praktijk 

Erik Jansen (VIC) deelde de opbrengst van werksessies met waterschappers, boeren en loonwerkers. Iedereen herkent dat het niet goed gaat met de veenweidesloot, maar generieke regels sluiten vaak niet aan op de praktijk. Deelnemers pleitten voor maatwerk per gebied, met concrete afspraken tussen boer en waterschap over doelen en beheer. Ook riepen zij op om terughoudend beheer serieus te belonen in de legger en de schouw.

Tijdens de vragensessie kwamen onder meer de rol van rivierkreeft, de oriëntatie van oevers en verschillen tussen veentypen aan bod. Duidelijk werd dat er zelden één simpele verklaring is: meestal spelen meerdere factoren tegelijk een rol.

Vervolg 

Het onderzoek loopt door tot eind 2026. Dan volgen een eindrapportage en een symposium in december, waarin de resultaten en een praktisch stappenschema worden gepresenteerd. Ook wordt gewerkt aan een ANB-pilot waarin boeren, waterschappen en experts samen in het veld ervaring opdoen met de vertaling naar de praktijk.

Kijk de opname van het webinar terug (webinar start op 6:03)

Lees meer in de Themasheet VeeST

Over beheermethodieken binnen VeeST

Aan welke knoppen kun je draaien?

Binnen het onderzoek van VeeST (Veenweidesloot van de Toekomst) staat de vraag centraal: hoe kun je met beheer de kwaliteit van de veenweidesloten in Nederland verbeteren, nu en in de toekomst? Maatwerk lijkt het sleutelwoord. Uit de resultaten tot nu toe blijkt namelijk dat sloten verschillend reageren op beheer. Bodemopbouw, slibsamenstelling en lokale omstandigheden spelen daarbij een grote rol. In de praktijk blijkt dat er meerdere ‘knoppen’ zijn waar beheerders aan kunnen draaien. Maar welke zijn dat precies en wat betekenen ze voor de sloot?

Onderzoek leidt naar verwachting tot concrete beheeradviezen

Uit de tussentijdse resultaten blijkt dat de ecologische toestand van veenweidesloten zorgelijk is. Tegelijkertijd tonen enkele sloten aan dat herstel mogelijk is, vooral bij terughoudend en zorgvuldig beheer. Naar verwachting leidt het onderzoek van VeeST tot concrete beheeradviezen voor verschillende veenweidesloten. Niet volgens een vast recept, maar volgens een andere manier van kijken en denken: welke keuzes passen bij dit type sloot, op deze plek, en wat wil je daarmee bereiken?

Vijf vormen van beheer in de praktijk

Wie kijkt naar het beheer van veenweidesloten, ziet al snel dat dit bestaat uit een aantal terugkerende handelingen. Binnen VeeST zijn deze samengebracht in vijf hoofdcategorieën:

  • maaien van perceel en oever;
  • beweiding (koeien in het land met toegang tot de sloot);
  • verwijderen van vegetatie uit de sloot;
  • baggeren (verwijderen van slib);
  • waterbeheer (slootwaterpeilen en afwatering).

Dit zijn de basisvormen van wat in het onderzoek ‘regulier beheer’ wordt genoemd: het beheer zoals agrariërs dat in de dagelijkse praktijk uitvoeren.

Niets doen, tenzij

Tegenover dit reguliere beheer staat een andere benadering: niets doen, tenzij dit nodig is. In de praktijk betekent dit: zo weinig mogelijk ingrijpen. Een deel van de slootvegetatie verwijderen kan nodig zijn voor de aan- en afvoer van water, om woekering van een soort te beperken of om voedingsstoffen af te voeren. Verwijderen kan ook nodig zijn om te voorkomen dat een sloot dichtgroeit en de doorstroming belemmert.

Veel variatie binnen dezelfde vorm van beheer

Hoewel de basisvormen van regulier beheer op het eerste gezicht duidelijk lijken, blijkt de uitvoering in de praktijk sterk te verschillen. Zo kiest de ene beheerder bij het verwijderen van slootvegetatie voor volledige verwijdering met wortels en al, terwijl de ander bewust delen laat staan en alleen boven de wortels afmaait. Ook zijn er verschillen in hoe vaak er gebaggerd wordt en met welke techniek. Hetzelfde geldt voor beweiding: het aantal koeien, de beweidingsduur, de toegang tot de oever – het verschilt per bedrijf.

Machines als bepalende factor

De onderzoekers zien ook dat het gebruik van machines in de praktijk invloed heeft op de fysieke toestand van sloot en oever. Bij het schonen van sloten worden bijvoorbeeld verschillende typen machines gebruikt: van ‘ecoreinigers’ die vegetatie snijden en afvoeren, tot maaikorven die planten snoeien en op de oever leggen. Waar ecoreinigers de bodem zelf niet raken, kan met een maaikorf onbedoeld de vegetatie met wortel en al verwijderd worden. Bij baggeren speelt hetzelfde: een pomp die alleen het slib uit het midden van de sloot verwijdert, heeft een andere impact dan een systeem dat ook materiaal van de zijkanten meeneemt.

Van ‘doen wat moet’…

Een belangrijk inzicht uit het onderzoek tot nu toe is dat beheer vaak wordt uitgevoerd vanuit gewoonte of verplichting. De schouwmeester schrijft bijvoorbeeld voor dat sloten open en op diepte moeten blijven, wat leidt tot regelmatig slootbeheer. Daarnaast zijn beheerpakketten voor de sloot vanuit het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) gericht op het uitvoeren van gespecificeerde beheeractiviteiten. Deze beheeractiviteiten passen niet altijd bij de actuele situatie, waarbij ‘niets doen’ in veel gevallen beter zou zijn voor de kwaliteit en stabiliteit van sloot en oever.

…naar ‘doen wat werkt’

Maar wat als minder ingrijpen ook werkt, of zelfs beter is? Wat als beheeractiviteiten worden afgestemd op de bestaande situatie, de eventuele knelpunten én de gewenste toestand van de sloot? Het VeeST-onderzoek kijkt niet naar de effecten van losse maatregelen of afzonderlijke slootonderdelen. Het zoekt naar de belangrijkste beheerstuurknoppen die samen de kwaliteit van de sloot als geheel beïnvloeden.

Op weg naar beter onderbouwd beheer

Om inzicht te krijgen in de effecten van regulier beheer tegenover zo weinig mogelijk ingrijpen, worden binnen VeeST slootdelen met regulier beheer vergeleken met slootdelen waar nauwelijks wordt ingegrepen. Daarbij houden de onderzoekers rekening met verschillen tussen de sloten, zoals in bodemopbouw en slibsamenstelling. Ook proberen zij de verschillen in beheer verder te duiden en de beheermethodieken te koppelen aan de effecten op draagkracht, slibvorming en oeverstabiliteit.

De komende periode worden de laatste metingen afgerond en geanalyseerd. Dan wordt duidelijker welke beheermaatregelen daadwerkelijk bijdragen aan een betere waterkwaliteit, meer biodiversiteit en stabielere oevers.

Lees meer in de Themasheet VeeST

Tussenrapportage Veenweidesloot van de Toekomst 2025

De onlangs gepubliceerde tussenrapportage van het onderzoeksproject Veenweidesloot van de Toekomst laat zien dat de ecologische toestand van veel veenweidesloten zorgelijker is dan vooraf werd verwacht. In bijna tweehonderd onderzochte sloten blijkt de biodiversiteit laag, zijn waterplanten vaak afwezig en stapelen problemen rond slib, waterkwaliteit en oeverstabiliteit zich op. Tegelijkertijd tonen enkele sloten aan dat herstel mogelijk is, vooral bij terughoudend en zorgvuldig beheer.

Weinig waterplanten en dikke sliblagen
Uit de metingen blijkt dat in meer dan een kwart van de sloten nauwelijks tot geen watervegetatie voorkomt. Kroos domineert vaak het wateroppervlak, terwijl ondergedoken waterplanten grotendeels ontbreken. De sloten zijn bovendien ondiep en bevatten in veel gevallen een dikke sliblaag, rijk aan fosfaat en stikstof, in concentraties die ongunstig zijn voor plantengroei.

Instabiele oevers en risico op afkalving
Bij meer dan 95 procent van de sloten is onderholling van de oevers vastgesteld. In de helft van de gevallen kon een meetstok meer dan 25 centimeter onder de oever worden geschoven zonder weerstand, wat wijst op een sterk verminderde draagkracht. Dit vergroot de kans op afkalving en landverlies, vooral bij hogere waterpeilen.

Terughoudend beheer cruciaal voor herstel
De rapportage benadrukt het belang van het afstemmen van belasting op draagkracht, zowel door vee langs de oevers als door zware machines op het perceel. In veel sloten drinken koeien nog direct uit de sloot en vinden maaien en baggeren relatief intensief plaats. Tegelijkertijd laten enkele beter functionerende sloten zien dat terughoudend beheer, volgens het principe “niets doen, tenzij…”, kan bijdragen aan meer stabiliteit en ecologische waarde. Daarbij wordt alleen ingegrepen wanneer waterafvoer of nutriëntenverwijdering echt noodzakelijk is.

Eerste stap naar afwegingskader
In samenwerking met de beheerders in de praktijk is een eerste versie ontwikkeld van een afwegingskader voor oevers in het landelijk gebied. Dit hulpmiddel moet beheerders ondersteunen bij de keuze tussen ecologisch beheer en fysieke inrichtingsmaatregelen. Uitgangspunt is dat herstel in veel gevallen mogelijk is met aangepast beheer, en dat ingrijpende maatregelen pas nodig zijn wanneer dat echt niet anders kan.

Nog geen beheeradviezen
De onderzoekers benadrukken dat deze tussenrapportage een momentopname is. Analyses lopen nog door en beheerexperimenten krijgen de komende periode een vervolg. Concrete adviezen voor toekomstig slootbeheer worden daarom nu nog niet gegeven. Wel is de boodschap duidelijk: de huidige staat van veel veenweidesloten vraagt om aandacht, maar met gericht en zorgvuldig beheer is verbetering mogelijk.

Benieuwd naar alle inzichten uit het onderzoek?
De tussenrapportage van VeeST is een tussenstand, maar maakt duidelijk dat gerichte keuzes in beheer en belasting essentieel zijn om de veenweidesloot van de toekomst mogelijk te maken. Lees de volledige tussenrapportage en ontdek hoe het staat met de biodiversiteit, waterkwaliteit en oevers in het veenweidegebied én welke kansen er liggen voor herstel door aangepast beheer.
Tussenrapportage VeeST 2025

Veenweidesloten cruciaal voor waterkwaliteit, biodiversiteit, klimaat en landbouw

Veenweidesloten zijn gegraven om het land te ontwateren en het zo geschikt te maken voor gebruik door de mens. Van oudsher waren waterschap, boeren en andere ingelanden gezamenlijk verantwoordelijk voor de aan- en afvoer van water. Daarom moesten planten zoveel mogelijk verwijderd worden. Onze blik hierop verandert. Planten in de sloot en op de oever blijken essentieel te zijn voor het halen van waterkwaliteitsdoelen, voor biodiversiteit, voor klimaatadaptatie, voor de beperking van broeikasgasemissies uit de sloot, en voor stabiliteit van de oever. De stabiliteit van de oever is weer van belang voor behoud van land, en het voorkomen dat land bagger wordt.

Biodiversiteit en waterkwaliteit

Een gezonde veenweidesloot is cruciaal voor biodiversiteit. De aanwezigheid van verschillende soorten planten met verschillende groeivormen bieden leefgebied voor allerlei insecten en vissen. Predatoren zoals een snoek vinden schuilplaatsen, terwijl verstorende soorten onder controle blijven. Bovendien houdt vegetatie slib en voedingsstoffen vast, voorkomt troebel water en kan bijdragen aan het verminderen van methaanuitstoot. De sloot, inclusief de oever werkt als een ecosysteem.

Klimaatadaptatie

De weersextremen nemen toe; soms veel regen in korte tijd, dan weer lange perioden van droogte. Daarmee wordt het belangrijker om het water in de zomermaanden langer ‘vast te houden’. Als er in één keer heel veel regen valt kan en wil een waterschap dit niet meer zo snel mogelijk wegpompen. De gemalen zouden dan heel hard moeten werken en er moet ruimte zijn om dit water op te vangen. En als het na zulke intensieve buien weer te droog wordt, zou gebiedsvreemd water weer moeten worden ingelaten. Dit ‘vreemde’ water heeft vaak een slechtere kwaliteit. Vegetatie in de sloot zorgt ervoor dat het water minder hard wegstroomt, het zorgt als het ware voor een buffer. Doordat het water minder hard wegstroomt gaat het slootpeil soms wat omhoog, en dat blijkt voor de vochtvoorziening van het gewas best gunstig te zijn.

Broeikasgasemissies

Onderzoek van het NOBV heeft laten zien dat uit veenweidesloten veel broeikasgassen vrijkomen vooral in de vorm van methaan. Methaan is een broeikasgas dat 27 keer sterker is dan CO2. De broeikasgassen komen vrij door afbraakprocessen in het slib. Onderzoek laat zien dat waterplanten hierop een belangrijk beperkend effect hebben. Waterplanten hebben namelijk invloed op de processen in het slib. In VeeST laten we zien dat waterplanten ook heel belangrijk zijn om de hoeveelheid slib te beperken die in de sloot terechtkomt.

Stabiele oevers

Stabiele oevers zijn belangrijk om baggervorming en landverlies te voorkomen. Flauwe oevers beiden ruimte voor planten en dieren die van nature gedijen op de overgang van droog naar nat. Deze planten zorgen ook voor stabiliteit wat essentieel is om erosie en slibaanwas te beperken. Slechts een klein deel van de Nederlandse veenweidesloten voldoet aan het wensbeeld voor stabiele, ecologisch gezonde oevers. Uit onderzoeksproject VeeST blijkt dat 95% van de oevers ernstige onderholling vertonen. Veel oevers lijken intact, maar zijn onder de waterlijn uitgehold. Rivierkreeften verergeren het probleem door gangen te graven en vegetatie weg te eten, waardoor draagkracht afneemt en landbouwgrond verloren kan gaan.

Beheer

Intensief maaien, schonen en baggeren verstoort het ecologische evenwicht, leidt tot het risico op landverlies door erosie van oevers en achteruitgang van flora en fauna. VeeST laat zien dat aangepast beheer effectief is: extensief maaien, vegetatie laten staan en selectief baggeren verbetert de stabiliteit en soortenrijkdom van oevers. Dit kan al binnen één jaar.

Meer informatie

VeeST staat voor Veenweidesloot van de Toekomst. Het is een onderzoeksproject van Veenweiden Innovatiecentrum (VIC) en Veenweiden Innovatie Programma voor Nederland (VIPNL). Samen met partners (NMI, FLORON, ORG-ID en STOWA) onderzoeken ze hoe hogere en meer fluctuerende slootwaterpeilen de oevers, het slootprofiel, de waterkwaliteit en de biodiversiteit van veenweidesloten beïnvloeden. Het project brengt in beeld welke beheermaatregelen zorgen voor stabiele, ecologisch waardevolle sloten.

Het onderzoek wordt gefinancierd door het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Bekijk de website voor meer informatie: https://vip-nl.nl/portfolio-item/themasheet-veenweidesloot-van-de-toekomst/

VeeST: terughoudend beheer goed voor stabiliteit en biodiversiteit slootoevers

Terughoudend beheer leidt tot meer stabiliteit en meer biodiversiteit op oevers en in sloten in het veenweidegebied. Dat blijkt uit het project Veenweidesloot van de Toekomst.    

Het project Veenweidesloot van de Toekomst (kortgezegd VeeST) wordt uitgevoerd in opdracht van het Veenweiden Innovatie Centrum en VIPNL. Samen met partners NMI, Floron, ORG-ID, waterschap Amstel, Gooi en Vecht en medewerkers van het VIC onderzoeken we de invloed van sloot- en oeverbeheer op de planten die er groeien, op de stabiliteit van de oever, op de waterkwaliteit en op de agrarisch gebruikswaarde. Daarnaast kijken we naar wat er gebeurt als slootpeilen hoger worden en hoe het beheer daarop aangepast moet worden om te voorkomen dat de oeverstabiliteit of waterkwaliteit verslechtert.

Oeverplanten zorgen voor stabiliteit

Langs één van de sloten in Zegveld ligt een oever met een rijke variatie aan planten. Deze oever wordt al vele jaren niet gemaaid, maar er grazen wel koeien. Uit de sloot wordt met een zogenaamde baggerpomp regelmatig wat bagger verwijderd. De vegetatie in de sloot en op de natte oever wordt niet verwijderd (‘geschoond’). Door dit beheer is er een 1,5 tot 2 meter brede oeverzone ontstaan. Deze zone heeft een gevarieerde vegetatie met grassen, kruiden en moerasplanten.

Deze diversiteit aan planten op de oever heeft meerdere voordelen. Zo geven veel bloeiende planten nectar en vormen daarmee een belangrijke voedingsbron voor insecten. Andere planten stabiliseren weer de oevers met hun wortelstelsel. Deze oeverstabilisatie is hard nodig. Ontwaterd veen breekt namelijk af (‘veraarden’), verliest daarbij haar natuurlijke structuur en spoelt dan gemakkelijk weg naar de sloot als het in contact komt met water. In tegenstelling tot het productiegras met zijn korte wortels, houden de langere wortels van de verschillende oeverplanten het veen stevig vast. Zo zorgen ze voor meer stevigheid in de grond en stabiliteit van de oever.

Nieuwe inzichten: het ‘tompouce’-effect

Het VeeST-project onderzocht meer dan tweehonderd sloten in het veenweidegebied en vond in vrijwel alle onderzochte sloten veel slib. Dit slib bestaat uit dun veraard veen. Slibaanwas wordt mogelijk veroorzaakt door het zogenaamde ‘tompouce-effect’. Dit fenomeen houdt in dat veen vanuit diepere bodemlagen langzaam wordt weggedrukt naar de sloot door het gewicht van de stevige toplaag en de tegendruk van de niet-veraarde diepere bodemlaag. Dit proces is niet direct zichtbaar en kan worden versneld door zware machines op nat land.

Dit inzicht geeft nieuwe perspectieven in de oorzaken van slechte waterkwaliteit in de veenweidesloot. Tot nu toe ging men ervan uit dat sloten vooral worden verrijkt met voedingstoffen uit de toplaag van naastgelegen percelen en door uit- en afspoeling van voedingsstoffen uit mest. Het tompouce-effect laat nu zien dat de waterkwaliteit ook negatief wordt beïnvloed door voedingsstoffen die vrijkomen bij het wegdrukken en de erosie van diepere bodemlagen. Deze kennis benadrukt het belang van oeverstabiliteit en het afstemmen van de bodembelasting op de draagkracht van de bodem.

Waardering voor terughoudend beheer

VeeST laat zien dat terughoudend beheer grote, positieve effecten kan hebben: voor natuur, waterkwaliteit en de toekomst van het veenweidegebied. Voor agrariërs betekent terughoudend beheer een investering. De kruiden en moerasplanten in deze vochtige zone hebben niet dezelfde voederwaarde als productiegras. Bovendien kunnen in deze oevers ook plantensoorten groeien die ongunstig of zelfs giftig zijn voor koeien. Terughoudend beheer vraagt dus om een investering en lef van melkveehouders. Anderzijds leidt erosie en het wegspoelen van de oevers uiteindelijk tot landverlies voor de boer. Met VeeST willen we laten zien dat deze investering niet alleen zorgt voor een grotere biodiversiteit op de oever, maar ook resulteert in een stabielere oever, minder verlies van bodem en land, en meer planten in de sloot.

Uitzending Vroege Vogels

Meer zien? De filmploeg van Vroege Vogels streek afgelopen week neer bij proefboerderij Kennis Transfer Centrum (KTC) Zegveld. Op dit melkveebedrijf in het westelijk veenweidegebied worden allerlei (VIPNL-)proeven uitgevoerd, waaronder die van VeeST.

Laat je inspireren en kijk de hele aflevering terug op NPO via deze link.

Uitnodiging werksessies Veenweidesloot van de Toekomst

Aan experts bij waterschappen en gedreven agrariërs die vanuit de praktijk kennis en vragen met elkaar willen uitwisselen rondom de Veenweidesloot van nu en van de Toekomst.

Sessie 1: 23 januari 2025 voor waterschappers
Sessie 2 – 04 februari 2025 voor agrariërs/ experts beheerpraktijk
Sessie 3 – 04 maart 2025 gezamenlijk, voor waterschappers, agrariërs/ experts beheerpraktijk

We nodigen gericht experts bij waterschappen en agrariërs uit om in een of twee sessies van 1 dagdeel praktijkervaringen en inzichten met elkaar te delen.
In VeeST onderzoeken we hoe de veenweidesloot in de toekomst zó kunnen beheren en onderhouden dat hij optimaal functioneert.

Heb jij zicht op de praktijk van de veenweidesloot vanuit waterbeheer, ecologie en/of agrarische bedrijfsvoering?
Vind je het interessant om kennis uit te wisselen?
Wil je weten wat wij nu al hebben ontdekt? Meld je dan snel aan.
We streven naar een zo gemêleerd mogelijk gezelschap voor een levendig gesprek, met maximaal 20 deelnemers per sessie. Elke sessie duurt ongeveer 2,5 uur met na afloop lunch verzorgd.

Doe mee of vraag een collega! Bij veel belangstelling zullen we overleggen over deelname.
Het is niet nodig om, wanneer je aanwezig bent bij sessie 1 of 2 ook aan sessie 3 deel te nemen. Alleen opgeven voor sessie 3 is ook een optie. Elke bijdrage wordt gewaardeerd.

Meer informatie over hoe je kunt aanmelden vind je hier: aanmelden werksessies

Terugblik webinar ‘VeeST’: op weg naar nieuw beheer

Het Veenweiden Innovatie Programma Nederland (VIPNL) en STOWA organiseerden op 19 november het webinar ‘Veenweidesloot van de Toekomst’. In totaal namen hieraan meer dan 60 mensen deel. Het webinar gaf een goede indruk van de tussenstand van het project Veenweidesloot van de Toekomst (VeeST).

VeeST onderzoekt hoe toekomstbestendige veenweidesloten kunnen bijdragen aan doelstellingen op het gebied van klimaat, natuur en landbouw. De verkenningsfase van het project is afgerond, de uitvoeringsfase loopt tot en met 2026. VeeST maakt deel uit van het Veenweiden Innovatie Programma Nederland (VIPNL).

Presentaties van onderzoekers

In het webinar kwamen het project als geheel, de belangrijkste resultaten van de verkenningsfase en de eerste resultaten van de uitvoeringsfase aan bod. Meerdere bij VeeST betrokken onderzoekers gaven een presentatie. Zo werd een wensbeeld geschetst van de veenweidesloot van de toekomst. Ook kwam het opgeleverde rapport over de verkenningsfase ter sprake, met handvatten en principes voor beheerders. Bijvoorbeeld:  geen vegetatie verwijderen langs oevers, de wortels laten staan en maaisel afvoeren bij ruwe vegetatie.

Beroep op kennis en ervaring voor uitvoeringsfase

Om tot werkbare adviezen en afwegingskaders te komen, moeten de details nog worden  uitgewerkt. Dit vraagt om een nauwkeurige data-analyse op basis van gegevens van proeflocaties. Daarnaast zijn de kennis en ervaring van de deelnemers nodig. Zij werden daarom uitgenodigd om mee te denken en deel te nemen aan toekomstige workshops. In 2025 volgen nieuwe webinars, waarvan het eerste zal gaan over waterkwaliteit en het tweede over juridische aspecten in veengebieden. Belangstellenden die op de hoogte willen blijven, kunnen zich inschrijven voor de nieuwsbrief VIPNL (onderaan de homepage) en/of de nieuwsbrief van STOWA.

Wilt u de presentaties terugzien? Bekijk hier de video van het webinar. U kunt ook het rapport over de verkenningsfase  downloaden.

Webinar VeeST & STOWA

Wat zijn de gevolgen van grootschalige toepassing van maatregelen in veenweidegebieden op de waterkwaliteit?
Het Veenweiden Innovatie Programma Nederland (VIPNL) en STOWA gaan tijdens het webinar ‘Veenweidesloot van de Toekomst’ in op deze belangrijke kennisvraag met onze onderzoekers van VeeST.
Schuif digitaal aan op 19 november van 10:00-11:30 en duik mee in de toekomst van de veenweidesloot.
Aanmelden kan hier: Webinar VeeST: Veenweidesloot van de toekomst

We hopen je te zien op 19 november!

Veenweidesloot van de Toekomst (VeeST) is een programma van VIPNL waarin wordt onderzocht hoe toekomstbestendige veenweidesloten kunnen bijdragen aan doelstellingen op het gebied van klimaat, natuur en landbouw.

Veenweidesloot van de Toekomst: onderzoek van start

Hoe dragen sloten in de veenweidegebieden bij aan de klimaat-, natuur- en landbouwdoelen? Daarover gaat het onderzoek de Veenweidesloot van de Toekomst (VeeST). Zowel de waterschappen als het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) hebben hun medewerking toegezegd. Daardoor kan het project officieel van start.

Sloten hebben een belangrijke rol in het functioneren van het veenweidegebied, maar ook een eigen problematiek. Zo is de waterkwaliteit vaak niet in orde en staat de biodiversiteit onder druk. Ook zullen waterpeilen hoger worden en vaker variabel zijn. We zullen de sloten voor een duurzame toekomst veranderen, bijvoorbeeld als we slechte waterkwaliteit en baggervorming tegen willen gaan.

Een levende sloot die zich goed kan aanpassen

In het project VeeST bestudeert het onderzoeksteam het effect van hogere en meer fluctuerende slootwaterpeilen op de oever, slootprofiel, waterkwaliteit en biodiversiteit van de veenweidesloot. Ook onderzoeken ze hoe hierop ingespeeld moet worden met beheer en onderhoud.

Zo leren we hoe de ideale sloot van de toekomst eruit ziet én hoe we deze kunnen bereiken. Een gezonde sloot met verschillende flora en fauna en stevige en begroeide oevers die zich aanpassen aan het klimaat. Een sloot die goed omgaat met hoge en minder hoge waterpeilen én die extremen in droogte en neerslag opvangt.

Al veel werk verricht

De afgelopen maanden is achter de schermen al veel werk verricht. We analyseerden bestaande literatuur en data, veldlocaties werden druk bezocht en besproken. Zo brengen we bestaande kennis en voorbeelden in beeld.

Experts uit diverse vakgebieden en regio’s delen kennis en kunde om de vertaalslag naar de praktijk te maken. Zij vormen de klankbordgroep van het project. Tijdens een eerste bijeenkomst hebben we bij het aansluitende veldbezoek ook in de praktijk gekeken we naar verschillende sloten, biodiversiteit en beheer.

De verkenningsfase

Momenteel zitten we in de verkenningsfase. Het doel? Analyseren van beschikbare kennis en kennishiaten. Eind 2023 maken we concreet met welke onderzoeksvragen we in 2024 precies aan de slag gaan.

Lees meer over het onderzoek op de thema-pagina Veenweidesloot van de Toekomst (VeeST).