Kansen voor CO2-verwaarding op bedrijfsniveau in de melkveehouderij

Koolstofverwaarding kan melkveebedrijven in het veenweidegebied ondersteunen bij een extensievere bedrijfsvoering. CO2 die minder wordt uitgestoten of vastgelegd, kan worden omgezet in koolstofcertificaten (verwaarding) en zo een aanvullende of vervangende inkomstenbron vormen.

Echter nog niet alle maatregelen om broeikasgassen te reduceren of vast te leggen kunnen worden vertaald naar koolstofcertificaten. Bovendien lijkt het efficiënter om al deze verschillende vormen te bundelen tot één methodiek op bedrijfsniveau. CLM Onderzoek en Advies onderzocht in opdracht van VIPNL potentiële aanvullende vormen van koolstofverwaarding, of deze met elkaar op één bedrijf zijn te combineren en of de bestaande KringloopWijzer hiervoor ingezet kan worden.

Aanvullende methoden

Verkend is op welke manieren, naast de bestaande methodieken van de Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK), een melkveehouder op bedrijfsniveau de broeikasgasuitstoot kan verminderen. Vervolgens is gekeken of deze voldoende reductie opleveren.

Op bedrijfsniveau vormt methaanemissie een groot deel van de broeikasgasemissies vanuit de melkveehouderij. Vooral het terugdringen van methaanemissie als gevolg van pens- en darmfermentatie en methaanemissie uit de mestopslag zijn interessante maatregelen. Alle overige emissiebronnen vormen een beperkt deel van de emissies vanuit de melkveehouderij.

Niet alle effecten van de onderzochte maatregelen zijn (op dit moment) goed te kwantificeren. Dit kan zowel komen doordat het vastleggen van de benodigde data op het bedrijf complex is, en/of doordat de emissiefactoren onzeker zijn. Een beperkt deel van de benodigde data kan uit de KringloopWijzer worden gehaald. Voor het resterende deel moet gezocht worden naar andere betrouwbare bronnen of meetmethoden.

Combineren van meerdere methodieken op één bedrijf

Op basis van de SNK-methodieken en verkende andere maatregelen voor opslag en reductie van CO2 op een melkveebedrijf, is een theoretische benadering gemaakt van het aantal te verkopen koolstofcertificaten. Dit is gedaan voor drie bedrijfstypen:

  1. Melkveebedrijf: melkveebedrijf op veengrond met alleen (kruidenrijk) grasland en een huidige grondwaterstand van circa 50 cm onder maaiveld.
  2. Hoogwaterbedrijf: melkveebedrijf met (zeer) verhoogde grondwaterstand van circa 20 cm onder maaiveld.
  3. Natuurboerderij: melkveebedrijf met (zeer) verhoogde grondwaterstand van circa 20 cm onder maaiveld en vijf hectare teelt van biobased bouwmaterialen.

Voor elk bedrijfstype zijn de relevante methodieken vastgesteld en is berekend wat de potentiële opbrengst aan CO2-certificaten per jaar is. Een samenvatting is weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 1. Indicatie van jaarlijks te verkrijgen koolstofcertificaten (van 1 ton CO2-eq.) en de opbrengst hiervan in euro’s, uitgaande van een prijs per certificaat van € 100.

De analyse toont aan dat de totale waarde van de certificaten een substantiële bijdrage kan leveren aan het bedrijfsinkomen. Het is een eerste theoretische benadering die in een vervolgonderzoek meer moet worden uitgediept. Zo is de praktische haalbaarheid van de bedrijfsvoeringen in combinatie met SNK-methoden niet onderzocht en zijn de meerkosten van de maatregelen niet volledig in beeld gebracht.

Relatie KringloopWijzer en SNK-methodieken

Naast het ontwikkelen van aanvullende methodieken is gekeken of en hoe bestaande methodieken eenvoudiger toegepast kunnen worden. In dat kader onderzocht CLM of en op welke manier de KringloopWijzer verband houdt met de SNK methodieken ‘Valuta voor Veen’ en ‘Blijvend grasland op minerale gronden’. Het lijkt erop dat de KringloopWijzer benut kan worden. Wel moet hier en daar extra informatie worden aangeleverd en aanvullende werkzaamheden worden uitgevoerd. Dit wordt in het vervolg op het CLM-onderzoek verder uitgewerkt.

Vervolg

We hopen te komen tot een methodiek op bedrijfsniveau die zoveel mogelijk aansluit bij bestaande systemen en databases zoals de KringloopWijzer. De verkenning laat zien dat er voldoende potentie is om op bedrijfsniveau koolstofcertificaten te verkrijgen. De vraag is of de baseline, het effect en de additionaliteit van de maatregelen voldoende onderbouwd kunnen worden volgens de SNK-vereisten. In een vervolgonderzoek kijken we naar de haalbaarheid van een methodiek op bedrijfsniveau.

Bekijk hier het volledige onderzoeksrapport ‘CO2-verwaarding melkveehouderij, mogelijkheden in veenweidegebieden’

 

 

Compensatie peilverhoging: Valuta voor Veen vs. CSV

Om peilverhogingen in het veenweidegebied financieel te kunnen compenseren, zijn verschillende methodieken in gebruik, zoals de Valuta voor Veen-methodiek voor CO2-verwaarding en de Compensatie Systematiek Veenweide. Weusthuis en Partners onderzochten voor VIPNL de verschillen en overeenkomsten tussen beide methodieken en de mogelijkheid om beide gelijktijdig of aanvullend op elkaar in te zetten.

De methodieken

Compensatie Systematiek Veenweide (CSV) is onderdeel van de gebiedsaanpak van de Friese veenweidegebieden. CSV berekent welke schade agrariërs ondervinden van een hoger waterpeil, zoals verlies aan inkomen en grondwaarde. Op basis daarvan wordt een compensatie bepaald, bij voorkeur in de vorm van grond en anders in geld. CSV is ontwikkeld voor de Friese situatie. Momenteel wordt bekeken of deze ook ingezet kan worden buiten Friesland.

Bij Valuta voor Veen (VvV) verhogen grondeigenaren vrijwillig het waterpeil om de CO₂-uitstoot uit veen te verminderen. De verminderde CO₂-uitstoot wordt berekend en omgezet naar verhandelbare CO2-certificaten. Deze certificaten kunnen op de vrijwillige koolstofmarkt worden verkocht. De looptijd van een Valuta voor Veen-project is 10 jaar. Belangrijke randvoorwaarde bij VvV is dat de voorgenomen maatregelen niet op een andere manier tot stand zouden komen; het moet additioneel zijn.

Verschillen en overeenkomsten

Onderstaande tabel geeft overzichtelijk weer hoe beide methodieken zich tot elkaar verhouden.

Onderlinge relatie

CSV en VvV zijn elk afzonderlijk goed toepasbaar, maar hebben elk een andere intentie:

  • VvV is aanjager, het duwtje in de rug om klimaatpositieve projecten op gang te brengen of verder te brengen;
  • CSV is een permanente oplossing en afspraak voor een heel gebied, met een collectief van eigenaren, gebruikers en betrokkenen.

Wel of geen gebiedsproces

Voor grondeigenaren in veenweidegebied die géén onderdeel zijn van een gebiedsproces en wel klimaatpositieve maatregelen willen nemen door vrijwillige peilverhoging, is VvV de enige optie. In geval van een gebiedsproces zal, waar het agrarisch bestemde grond betreft, doorgaans gekozen worden voor CSV. Zodra er zicht is op CSV, zal VvV waarschijnlijk niet worden gestart omdat het additioneel moet zijn. VvV is daarmee vooral inzetbaar als impuls zolang er geen zicht is op gebiedsafspraken of als extra plus op bestaande afspraken (zoals CSV). Precies waar het ook voor is bedoeld.

Er kan bij toeval samenloop ontstaan tussen CSV en VvV, bijvoorbeeld als iemand al een VvV-compensatie krijgt, en er vervolgens toch een gebiedsproces start. Maar omdat de gemiddelde opstarttijd van een gebiedsproces nogal lang is, zal er meestal maar beperkte overlap zijn. En VvV heeft altijd een maximale looptijd van 10 jaar. Wanneer na 10 jaar opnieuw een VvV-project wordt gestart, is de dan geldende situatie het uitgangspunt.

Zie het volledige onderzoeksrapport ‘Vergelijking CSV en SNK-methodiek’

Revisit WIS: Waterinfiltratie na 5 jaar

Hoe onderhoud je een waterinfiltratiesysteem (WIS) en hoe vaak? Dat wordt in het VIPNL-thema ReVisit WIS onder andere onderzocht. Dit hangt namelijk ook sterk samen met de vraag hoe goed systemen nog werken na vele jaren van gebruik.

Mobiele debietmeter

Mobiele debietmeter

ReVisit WIS is daarom samen met HDSR en AGV aan de slag gegaan om inzicht in te krijgen in de werking van bestaande WIS. Hiervoor hebben we een methode ontwikkeld waarmee drains worden getest op hun werking. Vervolgens kijken we naar de mate van vervuiling. Samen met de verzamelde info van het uitgevoerde onderhoud ontwikkelen en verbeteren we daarmee het onderhoudsprotocol.

Debietmeting op 20 cm boven slootpeil

De werking testen we met een mobiele debietmeter die speciaal voor ReVisit WIS door Broere Irrigatie is gebouwd. Hiermee hebben we deze zomer een rondgang gemaakt langs een tiental al langer in bedrijf zijnde WIS-percelen. De data-analyse van de verzamelde data gebeurt de komende tijd.

De werking van de debietmeter is eenvoudig: we sluiten hem aan op de eindbuis en meten vervolgens op slootpeil en 20 en 40 cm daarboven hoeveel water er het systeem in gaat. De meting wordt alleen onder droge omstandigheden uitgevoerd. Daaraan was deze zomer gelukkig geen gebrek.

Naast de debietmeting, brengen we het tot nu toe uitgevoerde onderhoud in beeld en bepalen we de mate van vervuiling van zowel de voedingssloot, de toevoerbuis als de drains. Het uiteindelijke doel is input voor het onderhoudsprotocol met inzicht in de werking van drains op langere termijn en het ontwikkelen en testen van een methode zonder dat de putten open gegraven hoeven te worden.

Meer informatie bij onderzoeker Wim Honkoop van PPP Agro (06 1352 2542) of Rienk Schaafsma, thematrekker WIS bij VIPNL (06 2236 9537).  

 

Save the date: Webinar Profielkeren en Overlagen 14 januari

Op donderdag 14 januari 2027 om 13.00 uur delen we in een webinar de eerste resultaten en praktijkervaringen met profielkeren en overlagen. Interessant voor iedereen die werkt aan beleid, gebiedsontwikkeling, klimaatopgaven en de toekomst van veenweidegebieden.

De aanmeldlink volgt in de VIPNL-nieuwsbrief van december. 

Hydrologische lessen pilot natte teelt Ankeveen

Sinds 2019 wordt in Ankeveen (polder Kortenhoef) praktijkonderzoek uitgevoerd naar natte teelt (paludicultuur) als alternatief voor gangbaar grasland op veengrond. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en Waternet onderzochten hier de waterhuishouding, effecten op het omliggende watersysteem en de relatie met bodemdaling. Sinds 2021 zijn VIPNL en het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) aangehaakt. Zij hebben onderzoek verricht naar respectievelijk de productieketen rond natte teelt en de broeikasgasemissies.

Waterbeheer, waterstanden en watervraag

In de proefvakken met lisdodde en riet werd het waterpeil in het groeiseizoen actief gestuurd op circa 10–15 cm boven maaiveld. Met pompen, stuwen en waterdichte keringen bleek dit technisch goed beheersbaar. In het omliggende grasland daalde de grondwaterstand in dezelfde periode tot 20–40 cm onder maaiveld.

De netto wateraanvoer bedroeg circa 1.000–1.600 mm per jaar. Waterbalansanalyse laat zien dat deze hoge watervraag niet primair wordt veroorzaakt door extra gewasverdamping — die vergelijkbaar is met reguliere landbouw — maar vooral door infiltratie (wegzijging) naar diepere bodemlagen. De lokale geohydrologische situatie, met een dunne deklaag en een sterk verhang naar diepere grondwaterlagen, speelt hierin een belangrijke rol. Door optimalisatie van het peilbeheer nam de efficiëntie van de wateraanvoer in de loop van de jaren toe, zonder verlies van waterstand of opbrengst.

Bodemdaling en opbrengstontwikkeling

Hoogtemetingen met dGPS in 2018 en 2025 geven een indicatie van maaiveldveranderingen over zes jaar. In het referentiegrasland is lichte bodemdaling zichtbaar, terwijl in de natte teeltvakken geen tot nauwelijks daling is gemeten. Lokaal is sprake van lichte maaiveldstijging, mogelijk door ophoping van organisch materiaal en beginnende veenvorming. Door verschillen in meetmoment kunnen geen exacte dalingssnelheden worden afgeleid.

De lisdoddeopbrengst nam toe van 11,5 ton versgewicht in 2022 naar 14,9 ton in 2024. In 2024 werd in één proefvak tijdens de zomerperiode drie keer een tijdelijke droogval geforceerd om de watervraag te onderzoeken. Op basis van de oogstgegevens leidde dit niet tot een lagere opbrengst. De effecten op methaanemissies en verdamping worden nader onderzocht binnen NOBV.

Meer lezen?
In het volledige vakartikel “Natte teelt in veenweiden: lessen uit de pilot Ankeveen”  worden de meetopzet, waterbalansanalyse, infiltratieprocessen en broeikasgasmetingen uitgebreid beschreven.

Revisit WIS optimaliseert waterinfiltratiesystemen

Waterinfiltratiesystemen (WIS) spelen een steeds grotere rol bij het beperken van bodemdaling en CO2 -uitstoot uit veenweidebodems. Ze verhogen de grondwaterstand in droge perioden waardoor de veenoxidatie wordt beperkt. Ondanks ook veel goede ervaringen en positieve effecten, blijkt dat de aanleg en werking van WIS in de praktijk niet altijd optimaal verloopt. Het project Revisit WIS onderzocht samen met gebruikers, waterschappen en onderzoekers wat er beter kan. Interviews en veldobservaties brachten de volgende uitdagingen in beeld.

1: Bodem en water te weinig meegenomen

Een eerste uitdaging zit in het ontwerp en de aanleg: de indruk bestaat dat bodem en water in het verleden te weinig leidend waren bij de WIS-locatiekeuze, met een verminderde werking tot gevolg. Het gaat dan om factoren als kweldruk, kleilagen en minder geschikt veen, zoals schalterveen. Geleerd kan worden van meer recente WIS-plannen waar vooraf expliciet naar deze factoren is gekeken. Deze goede ervaringen worden opgenomen in een (geactualiseerde) gebruiksgids Revisit WIS.

Schalterveen.

2: Financiering lastig, vergunningen onduidelijk

Daarnaast zijn er vele uitdagingen bij projectaanvragen en financiering. Subsidieprocedures zijn vaak traag en ingewikkeld, terwijl uitvoeringsorganisaties zoals agrarische collectieven meestal niet de financiële buffers hebben om voor te financieren. Ook verschillen de eisen en vergunningen per provincie en waterschap, wat voor vertraging en onduidelijkheid kan zorgen. Kortom een uniform, langdurig en helder kader ontbreekt op dit moment voor initiatiefnemers. Met nieuwe provinciale subsidieregelingen en regionale programma’s wordt gewerkt aan de nodige verbeteringen.

3: Aansturing van de aanleg

Een effectieve aansturing en begeleiding in het veld bij aanleg van WIS blijkt cruciaal: een lokale kartrekker die vertrouwen wekt kan de realisatie versnellen en een rol spelen in het beter borgen van de kwaliteit. De aannemer heeft voldoende uitvoeringstijd nodig om zorgvuldig te kunnen inspelen op mindere weersomstandigheden (met name droogte).

4: Kwaliteit van de aanleg

Het borgen en controleren van de kwaliteit van de aanleg is een duidelijke uitdaging. Het ontbreekt, vooral bij AWIS (actieve infiltratiesystemen), aan duidelijke hydrologische normen. Zaken als de diameter van de distributieleiding, de pompcapaciteit, accu en zonnepanelencapaciteit worden nu ad hoc bepaald, terwijl dit grote invloed kan hebben op de werking. In het ontwerp kan ook beter rekening worden gehouden met het latere onderhoud.

Tijdens de daadwerkelijke aanleg is het van belang om de rijsnelheid te controleren en ook de vlakligging (met data van de laser). Voor controle van de werking achteraf zijn op dit moment geen goede mogelijkheden. ReVisit WIS gaat hiernaar op zoek.

5: Zoektocht naar milieuvriendelijke omhulling

Drains hebben vaak kunststof omhullingen. Die zijn achteraf niet gemakkelijk te verwijderen en laten microplastics achter in de bodem. Er wordt geadviseerd met natuurlijke alternatieven (zoals kokos of sisal) te werken. Er wordt geëxperimenteerd met afbreekbare drains van biologische oorsprong, maar die bevinden zich nog in de testfase.

Buis met een natuurlijke omhulling.

6: Zoektocht naar juiste filter

In het verleden is veel gebruik gemaakt van een fijn filter (O450-filter), maar deze geeft in infiltratiesituaties mogelijk een hoger risico op vervuiling. Experts zijn het erover eens dat het beter is te werken met een grover filter met een O-waarde van 1000, en onderzocht moet worden of het zelfs zonder filter kan.

7: Afspraken over onderhoud en beheer

In de praktijk is er na aanleg vaak nauwelijks controle op een goed beheer. We hebben in het veld geconstateerd dat systemen verstopt raken omdat de eindbuizen in de modder liggen of in de sloot dichtgroeien. Ook hebben we situaties geconstateerd met AWIS waarbij de pompen duidelijk al langere tijd niet in gebruik waren (minimaal één seizoen). Dit leidt tot een verminderde instroom, vervuiling en onnodige uitval. Er zijn op dit moment geen onderhoudsprotocollen of structurele financiering voor het onderhoud. Veehouders hebben over het algemeen geen landbouwkundige voordelen van WIS-systemen waardoor alle extra kosten aan het systeemonderhoud voor hen ook werkelijke meerkosten zijn.

Onderzoek naar dichtgegroeide drain-uiteinden.

8: Reductie in praktijk nog niet geborgd

Naast het ontbreken van een controlesystematiek op een goed beheer, vraagt een goede aanleg van systemen aandacht. In het registratiesysteem SOMERS is de reductie nauwkeurig bepaald. In de praktijk wijken reducties af, omdat WIS-systemen niet altijd optimaal functioneren. Hiermee gaat Revisit WIS aan de slag.

Onderzoek gaat verder

Revisit WIS ziet kansen in uniforme regels, praktische protocollen en het meenemen van onderhoud vanaf het begin van projecten. Ook slimme innovaties of praktische aanpassingen kunnen helpen om de effectiviteit te vergroten. Daarnaast zoeken we uit in welke mate genoemde problemen daadwerkelijk spelen in een aantal polders.

Het uiteindelijke doel van Revisit WIS is helder: WIS-systemen die betrouwbaar werken, makkelijker zijn te beheren en daadwerkelijk bijdragen aan het beperken van bodemdaling en de CO2-uitstoot.

Meer lezen?

Lees de Samenvatting uitdagingen Revisit WIS (pdf).

Kijk in de themasheet.

Tekst: Rienk Schaafsma en Wim Honkoop

Nieuw thema Veen aan Zee van start

De zeespiegel stijgt en de bodem daalt. West-Nederland heeft in toenemende mate last van verzilting. Daarnaast is er in de zomer steeds minder zoetwater beschikbaar. Kun je misschien brakwater gebruiken om veenweidegebieden te vernatten? Dat gaan we uitzoeken in het thema Veen aan Zee.

Landbouw met brakwater? Zo gek is die gedachte niet. Vóór de aanleg van de Afsluitdijk had heel Noord-Holland brakwater. Er graasden koeien en er kwam lekkere  kaas vandaan.

Bovendien zorgt verzilting in West-Nederland voor toenemende problemen. Slechts 0,8% van al het water op aarde is beschikbaar zoetwater. 97% van het water op aarde is zout. Het is de moeite waard om te kijken of je het probleem van de toenemende verzilting kunt omzetten in een kans.

Onderzoek als drietrapsraket

Eerst willen we weten wat brakwater doet in de veenweidebodem. Hoe reageren micro-organismen? Wat is het effect van zout op veenafbraak? Is het effect van verbrakking blijvend of tijdelijk?

Daarnaast willen we natuurlijk graag weten welke gevolgen verzilting heeft voor de veehouderij, de teelt van gewassen en de biodiversiteit. Hoe kan de landbouw nog functioneren?

De vervolgvraag is: wat betekent dit voor het watersysteem? Kun je het systeem zo inrichten dat zoet- en zoutwater naast elkaar bestaan? Wat betekent dat voor het landschap? En hoe gaan we het organiseren met elkaar?

Eerste onderzoeken van start

In januari zijn we begonnen met een aantal landschapssnedes: doorsnedes door de meest representatieve veengebieden en de waterhuishouding. Deze zijn bedoeld om het (geo)hydrologische systeem in de vingers te krijgen. Hoe stroomt het grond- en oppervlaktewater in de huidige situatie, waar is nu al sprake van verzilting en in welke mate? Maar ook: waar komt het zoete water vandaan in tijden van droogte? Er worden zes snedes gemaakt op zes plekken in Nederland die verschillen in onder andere bodem en hydrologie.

Het NOBV doet in het lab onderzoek naar wat er gebeurt met micro-organismen en broeikasgasuitstoot door verschillende veenmonsters te mengen met brak water. Ook starten we een praktijkproef: in het Ilperveld leggen we vakken aan met verschillende mate van verbrakking.

We werken in dit thema samen met een aantal onderzoeksinstellingen en landschapsarchitecten. Meer hierover lees je in de themasheet.

Nieuwe brochure: kansen en praktijkervaringen van natte teelten

Sinds 2022 telen we binnen VIPNL tien verschillende natte gewassen. We hebben steeds beter in de vingers waar en hoe dat goed lukt. Hoog tijd om die praktijkervaringen te delen, voor beleidsmakers en andere geïnteresseerden.

De belangrijkste conclusies

Er zijn verschillende veelbelovende gewassen waarmee we goede ervaringen hebben opgedaan zoals riet, wilg, els en lisdodde.

Dit alles is wel locatieafhankelijk: niet elke type gewas past op elke locatie. Ook gaat een maximale opbrengst niet (altijd) samen met de hoogste winst voor klimaat (en andere ecosysteemdiensten). Natte teelten kunnen nog niet uit zonder financiële ondersteuning. De markt zal zich verder moeten ontwikkelen. Oók die voor alternatieve verdienmodellen, zoals carbon credits.

Download de brochure hier >>

Hoever zijn we met het onderzoek naar natte gewassen?

Het telen van natte gewassen lukt goed; we zijn vooral bezig met optimaliseren. Zo onderzoeken we de beste manier om lisdodde in de grond te krijgen: planten is duur, zaaien is goedkoop maar moeilijker.

Het NOBV (Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden) doet metingen aan broeikasgasemissies. Dit moet precies duidelijk maken onder welke omstandigheden natte teelten de grootste klimaatwinst opleveren. De uitstoot van CO2 daalt bij een hogere grondwaterstand, maar de kans op de uitstoot van methaan (een heel sterk broeikasgas) neemt juist toe wanneer het erg nat wordt.

Dit jaar maken we voor lisdodde nog een LCA – een levenscyclusanalyse. Dit is een analyse van de broeikasgasuitstoot in de hele keten: van plant tot product (zoals isolatiemateriaal). Op deze manier kun je een eerlijke vergelijking maken met de klimaatimpact van gangbare producten.

Het VIPNL-onderzoek wordt mogelijk met één jaar verlengd. Dat betekent dat we in 2026 nog doorgaan met meten.

Dit is het nieuwe gezicht in jouw regio

VIPNL test innovaties in verschillende proeftuinen of regio’s. Elke proeftuin heeft een proeftuintrekker, die vragen oppakt en de juiste mensen verbindt. We stellen graag de nieuwe proeftuintrekkers van Overijssel, Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland aan je voor.

Suzanne Harink (links op de foto) – bestuurssecretaris & senior projectmanager Stimuland, samen met Lotte Kist (rechts) proeftuintrekker Overijssel

 

“Huh? Is er ook veenweide in Overijssel dan? Die vraag horen we vaak. Ja, er is zeker veenweide in Overijssel, en die zorgt ook voor genoeg uitdagingen in onze regio. Het is aan ons om Overijssel landelijk meer op de kaart te zetten. Maar ook in Overijssel zelf mag het veenweidevraagstuk nog beter op de agenda. Er is veel aandacht voor de droogteproblematiek van de zandgronden maar hé, let op: veenweide hebben we ook nog!

Daarbij vind ik het vooral belangrijk dat boeren zich gehoord voelen. Mijn collega Lotte en ik willen in het gebied veel ons gezicht laten zien. Alleen je telefoonnummer op de website zetten is niet genoeg. Ik wil benaderbaar zijn en mensen enthousiasmeren. De crux: weten wanneer het voor boeren interessant wordt. Veel agrariërs zijn erg verknocht aan hun gebied, maar het is niet alleen liefhebberij: ze hebben een bedrijf te runnen. Ik vind het belangrijk dat je transparant naar elkaar bent en begrip voor elkaar hebt. Als proeftuintrekker moet ik weten: wanneer werkt het voor jullie boeren wel en wanneer niet? Dan kan ik ook eerlijk zijn wat ik vanuit mijn rol kan betekenen.”

 

Martine Bijman – senior projectleider bij Water, Land & Dijken, proeftuintrekker Noord-Holland

“De veenweidegebieden van Noord-Holland zijn ingesloten door steden. Er komen veel fietsers voorbij die van alles in de media horen. Het is heel mooi als je dan als boer kunt zeggen: ik heb een waterinfiltratiesysteem en draag zo bij aan het klimaat. Boeren zien echt wel dat ze een slag moeten maken. Ze zijn geworteld op de plek waar hun familie soms al generaties woont. En daar willen ze blijven. Als boer, want dat is wat ze het liefste doen.

Met het Loket Veenweideboeren ontzorgen we boeren daarbij. Wij kijken: welke maatregelen kun je nemen, wat betekenen die voor de bedrijfsvoering en wat past bij jou? Daarna helpen we ook bij de vergunningaanvraag en de financiering. Vanuit dit loket kan ik mijn rol als proeftuintrekker ook goed oppakken. Is er een locatie voor greppelinfiltratie nodig? Die heb ik! En andersom zien wij dingen die niet goed werken in de praktijk. Bijvoorbeeld: is er een mogelijkheid te onderzoeken hoe we klei meer puinvrij kunnen maken? Binnen VIPNL kunnen we al die ervaringen delen. Zo hoeft niemand opnieuw het wiel uit te vinden.”

Foto Martine: Bert Hartman, FIeR door Hartman

 

Matthijs Boeschoten – programmaleider innovatie bij Wij.land, proeftuintrekker Utrecht

“Als kennismakelaar heeft Wij.land een belangrijke brugfunctie tussen kennis en praktijk. Hoe inspireer je boeren en vertaal je resultaten uit onderzoek naar het boerenerf? Maar de brugfunctie werkt ook andersom: want wij zien heel veel boeren met allerlei goede ideeën. Dan zetten we een pilot op en gaan we het gewoon doen. Vanuit onze ervaring aan de keukentafel denk ik dat wij ook weer nieuwe projecten voor VIPNL kunnen aandragen. Zo hebben we nu een boer die een voedselmoeras heeft aangelegd: hartstikke interessant, maar daar kan ook nog wel wat aan onderzocht en gerekend worden. VIPNL en Wij.land vullen elkaar daar mooi aan.

Ik vind innoveren met boeren hartstikke leuk. Dit zijn echte voorlopers: er is veel inventiviteit, een goede, positieve energie en het zijn gewoon leuke types. Ik ben heel benieuwd welke maatregelen de komende jaren binnen VIPNL praktijkrijp komen. Het is belangrijk dat maatregelen niet te veel risico hebben, duurzaam zijn – dus lang worden erkend – en passen in de boerenpraktijk. Als dat lukt, dan is er onder boeren zeker bereidheid om aan de slag te gaan.”

 

Wim Honkoop – adviseur en projectleider PPP Agro Advies, proeftuintrekker Zuid-Holland

“Innovatie in de landbouw is voor velen een vies woord geworden, mede dankzij de emissiearme stallen. Beloofde resultaten worden vaak niet gehaald. Waarom? Omdat de emissiereductie is vastgesteld in een onderzoekscontext. Reductie is echt mogelijk, maar dan moet je het systeem ook goed bijhouden in de praktijk. Ik snap dat mensen kritisch zijn, maar boeren krijgen de schuld als de beloofde resultaten niet gehaald worden, dat is te kort door de bocht. Niemand heeft nagedacht over vragen als: wie gaat het onderhoud doen en betalen? En hoe borgen we dat boeren er juist mee werken?

Beleidsmakers maken zich heel weinig zorgen over die praktijk merk ik, die missen een belangrijk stukje praktijkkennis. Ondertussen zetten ze wel de beloofde reductie in de boeken als resultaat. Hoe gaan we ervoor zorgen dat we met bijvoorbeeld waterinfiltratiesystemen wél de beloofde resultaten gaan halen? Door te kijken of we het simpeler kunnen maken. Onderhoud en beheer beter kunnen borgen. En goed beleid daarop kunnen adviseren. Daar wil ik als proeftuintrekker mee aan de slag. Ik hou van de boeren en ik hou van de natuur. Ik vind het vreselijk dat die zo’n tegenstelling zijn geworden. Dat is wat me drijft.”

Neem hier contact op met een proeftuintrekker in jouw regio.