Veenweidesloot van de toekomst

Wat is Veenweidesloot van de Toekomst (VeeST)?

Binnen VeeST onderzoeken we hoe een aangepast (innovatief) beheer kan bijdragen aan het toekomstbestendig maken van veenweidesloten. Daarmee willen we ook een aantal bestaande problemen oplossen, zoals bijvoorbeeld oeverafkalving. Uiteindelijk levert de Veenweidesloot van de Toekomst meerwaarde voor landbouw, biodiversiteit en klimaat. In de periode 2023 tot 2026 onderzoeken we op grootschalige en systematische wijze hoe beheer van sloten en oevers samenhangt met flora en fauna, met waterkwaliteit en met de stabiliteit en agrarische gebruikswaarde van oevers. Zo’n onderzoek is in Nederland nog niet eerder uitgevoerd en ook internationaal bijzonder.

Het doel is om te ontdekken hoe een toekomstbestendige sloot eruitziet en welk beheer daarbij hoort. We willen dit weten voor zowel het huidige slootpeil, als voor de toekomstige situatie waarin slootwaterpeilen hoger worden om veenafbraak tegen te gaan en ook meer dynamisch worden door extremer weer. Binnen VeeST werken onderzoekers vanuit verschillende disciplines, agrariërs, waterschappen, agrarische collectieven en loonwerkers samen aan oplossingen voor stabiele oevers, schoon water en een rijke biodiversiteit.

Waarom is het belangrijk?

In het Klimaatakkoord zijn doelen gesteld om uitstoot van broeikasgassen uit het veenweidegebied te verminderen. Een belangrijk middel om broeikasgasemissies en ook bodemdaling te remmen is het verhogen van de grondwaterstand in deze veenweidegebieden. Om de grondwaterstand te verhogen moet ook het slootpeil omhoog. Dat heeft gevolgen voor oeverstabiliteit en de waterkwaliteit.

Veenweidesloten kampen nu al met uitdagingen: de waterkwaliteit en de biodiversiteit staan onder grote druk, land gaat verloren door afkalving en erosie en invasieve exoten beschadigen oevers en ecosystemen. Bovendien wordt er door sloten veel methaan uitgestoten. Methaan is een sterk broeikasgas.

VeeST zoekt hier oplossingen voor. Met een aangepast ecologisch beheer van sloot, oever en perceelrand verwachten we de huidige situatie te verbeteren en eventuele negatieve effecten van toekomstige slootpeilverhogingen te voorkomen. Het doel van het nieuwe beheer is een hoge biodiversiteit en een stabiel slootprofiel met stevige kanten dat gepaard gaat met een optimale agrarische gebruikswaarde op het perceel zelf.

CONTACT

Martijn Thijssen (Org-ID)

E-mailadres:
thijssen@org-id.org

  • Martijn Thijssen (ORG-ID)
  • Debby van Rotterdam (onderzoeksleider) (Nutriënten management instituut NMI)
  • Michiel Verhofstad (Floron)
  • Elske Koppenaal (Floron)
  • Jolien Verweij (Waternet)
  • Laura Moria (Nutriënten management instituut NMI)
  • Youri Egas (Veenweiden Informatie Centrum VIC)
  • Erik Jansen (Veenweiden Informatie Centrum VIC)
  • Marloes Weidema (HVR Group)
  • NOBV
  • Waternet
  • NMI
  • Floron
  • VIC
  • Agrariërs
  • Loonwerkers
  • Waterschappen
  • Provincies
  • Ministeries LVVN & IenW
  • Agrarische collectieven die in het veenweidegebied werken
  • Natuur- en milieuorganisaties die bezig zijn met vernattingsmaatregelen op (voormalige) landbouwgrond
  • Klankbordgroep: Stichting Toegepast Onderzoek Waterschappen Stowa, Ministerie LVVN, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HdSR), Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), Waternet, Buitengewoon, Joost van der Kroon, VU/Veenvitaal, Radboud Universiteit.

Wat doen we binnen VeeST?

VeeST is in 2023 van start gegaan met een verkenningsfase. Dit leidde tot een bundeling van bestaande kennis, data en kennishiaten en vormde ook de basis om de uitvoeringsfase (2024 – 2026) van het onderzoek gericht vorm te geven. In het rapport van de verkenningsfase lees je over verschillende sloottypen in het veenweidegebied, krijg je een overzicht van de huidige kennis over onder meer de effecten van beheer op water- en oeverplanten en over wat we al weten van de stabiliserende werking van oeverplanten op de oeverstabiliteit.

De uitvoeringsfase van het onderzoek richt zich op het hele agrarisch beheerde veenweidegebied in Nederland en omvat drie werkpakketten:

  1. Inventarisatie van honderden veenweidesloten (WP1);
  2. Experimenten waarin regulier beheer wordt vergeleken met extensief beheer (WP2);
  3. Verankering in de praktijk door samen met de praktijk te leren, door bredere bewustwording en door kennisdeling (WP3).

Veldonderzoek

Inmiddels zijn er (eind 2025) ongeveer 200 sloten onderzocht. 172 Sloten zijn eenmalig geïnventariseerd (WP1) en in 25 sloten worden meerdere experimentele behandelingen gemonitord (WP2).

Experimenten

In 25 sloten, verspreid over 6 deelgebieden lopen sinds begin 2024 beheerexperimenten. Met ‘beheer’ bedoelen we het maaien van oevers en perceelranden, bemesten, verwijderen van slootvegetatie, baggeren en uitrasteren van vee. In de experimenten wordt binnen elke sloot één deel ‘normaal’ beheerd en één deel minimaal beheerd. Het deel met minimaal beheer wordt vanaf de insteek (1,5 tot 2 m uit de waterlijn) afgerasterd om het vee uit de kant te houden. Daarnaast doen we ‘niets tenzij dat noodzakelijk is’. Noodzakelijk, bijvoorbeeld omdat het nodig is de vegetatie in de sloot te verwijderen in verband met water af- en aanvoer. Op enkele locaties liggen aanvullende behandelingen zoals het verwijderen van kreeft (3 locaties) en een natuurvriendelijke oever (1 locatie).

Metingen

Voor elke sloot wordt heel gedetailleerd informatie verzameld over de vegetatie, de omstandigheden en het beheer. In figuur 1 tref je een visualisatie van de verschillende zones in een sloot. We maken volledige inventarisaties van de vegetatie in alle zones, in een traject van 100m. Daarnaast noteren we in alle zones de dominante plantensoorten en wordt de bedekking van verschillende typen planten (groeivormen) geschat. Ook bepalen we hoeveel vegetatie er is, hoe hoog, met welke structuur en bedekking. Aan de hand van vegetatie wordt vastgesteld hoe breed de verschillende oeverzones zijn.

Figuur 1. Zonering van de veenweidesloot vanuit VeeST. Boven: Bovenaanzicht, Onder: zijaanzicht/dwarsdoorsnede.

Van elke sloot wordt het hele profiel vanaf de insteek (overgang zone 3-4 figuur 1) ingemeten, inclusief de baggerdikte en eventuele onderholling. De bodemopbouw wordt bepaald en van oever tot perceel wordt de draagkracht tot 80cm diepte gemeten. Daarnaast wordt de samenstelling van het water, het slib en de bodem op de oever op twee dieptes (0-25cm en 25 – 50cm) gemeten.

Van elke sloot wordt bij de beheerder nagegaan wat het beheer is geweest in de afgelopen 5 jaar. Dit omvat beweidingsdruk, maai- en baggerbeheer van de sloot en maaibeheer van oever en perceel. Daarnaast wordt bij het waterschap nagegaan wat de praktijkpeilen zijn en hoeveel variatie hierin wordt gemeten/toegelaten.

Gegevens

Alle data wordt op een gestandaardiseerde manier verzameld. In een grote database wordt per meetpunt alle data (gecategoriseerd als gebiedskenmerken, vegetatie, omstandigheden en beheer) opgeslagen. Dit maakt het mogelijk om de data aan elkaar te koppelen, te analyseren en verbanden te gaan begrijpen.

Verankering in de praktijk

Begin 2025 is in drie werksessies samen met waterschappers, agrariërs, agrarische collectieven en loonwerkers gesproken over veenweidesloten. Eén werksessie was met medewerkers van waterschappen, één met agrariërs, medewerkers van agrarische collectieven en loonwerkers en tenslotte een werksessie met deze groepen samen. Het doel hiervan was om de problematiek rond veenweidesloten te agenderen, om kennis te delen en om ervaringen op te halen. De resultaten hiervan worden in het vervolg van het project gebruikt.

DISCLAIMER

De resultaten van VeeST zijn nog voorlopig. Hoewel het erop lijkt dat aangepast beheer meerwaarde oplevert voor meerdere doelen, kunnen doelen ook deels strijdig zijn. Optimalisatie op één doel kan de meerwaarde voor andere doelen beperken. Ook is duidelijk dat een aangepast beheer betekent dat bepaalde gewoontes moeten worden doorbroken of beelden worden bijgesteld (wanneer ziet een sloot er ‘netjes’ uit). Regels van waterschappen moeten mogelijk ook worden bijgesteld om het gedachtengoed van VeeST te implementeren.

Innovatiefunnel

  • Klimaat en milieu: Uitstoot in sloten is onderwerp van onderzoek.
  • Biodiversiteit: Het doel is om te komen naar een klimaatgunstige en bio-diverse veenweidesloot.
  • Ondernemers: Staan positief bij een sloot met een stevige oever door minder beheer en eventueel ANLb-pakket.
  • Maatschappij: Bio-diverse sloten met waterplanten zijn een fraai onderdeel van het veenweidegebied.
  • Water: Tegengaan van onderholling en uitspoeling leidt tot een verbetering van de waterkwaliteit.
  • Techniek: VeeST maakt gebruik van de kracht van het natuurlijk niet systeem en heeft geen nieuwe technieken nodig.

Meer over thema

12

Eerste resultaten

Verkenningsfase

Tijdens de verkenningsfase hebben we de variatie in veenweidesloten in Nederland in kaart gebracht. We hebben vastgesteld aan welke kenmerken de veenweidesloot van de toekomst moet voldoen. Daarnaast is de bestaande kennis op een rij gezet hoe beheer bijdraagt aan het verbeteren van de kwaliteit van de veenweidesloot en welke risico’s ontstaan door vernattingsmaatregelen. Op basis hiervan is een aanpak uitgewerkt voor de uitvoeringsfase 2024 – 2026 (analysekader, onderzoekslocaties, etc.). De verkenningsfase is begin 2024 afgerond met een rapportage.

Uitvoeringsfase

Resultaten in vogelvlucht

De eerste resultaten geven een helder beeld: de biodiversiteit staat onder druk en waterplanten ontbreken vaak. Oevers zijn wel begroeid, maar vaak met minder geschikte plantensoorten (landsoorten in plaats van oeversoorten). Oeversoorten zijn belangrijk omdat ze een aangepast wortelstelsel hebben waarmee ze stabiliteit geven aan de oever en ook zuurstof in de onderwaterbodem kunnen brengen. Daarbij kunnen deze soorten goed tegen peilverhoging.

In de sloot is de waterdiepte gering en ligt er veel slib op de bodem. Veel oevers hebben een beperkte draagkracht en onder de waterlijn erodeert het land (onderholling). De omstandigheden in de sloot (weinig waterdiepte en troebel water) leiden tot methaanemissies uit het slib en fosfaat en ammonium ín het slib. Dat laatste maakt het nog moeilijker voor onderwaterplanten om zich te ontwikkelen.

Tegelijk laten de beheerexperimenten (WP2) zien dat terughoudend beheer van de sloot en oever al snel een groot effect heeft op de planten die er groeien. Meer rust in de oever leidt in ieder geval tot de ontwikkeling van plantensoorten die daar van nature ook horen op basis van de vochtige tot natte omstandigheden. Welke soorten dit precies zijn verschilt sterk tussen locaties.

De komende periode richt het onderzoek zich erop beter te begrijpen hoe de relatie is tussen planten en oeverstabiliteit en hoe deze beide door beheer te sturen zijn. Het project moet leiden tot de ontwikkeling van beheerrichtlijnen om te komen tot stabiele en soortenrijke oevers. Om deze beheerrichtlijnen goed aan te laten sluiten bij de praktijk zijn verschillende belanghebbenden nauw betrokken.

Planten in en om de sloot

We constateren (meetjaar 2024 & 2025) dat er onder water maar weinig planten groeien. En áls er wat groeit, is er meestal ook maar één algemene soort aanwezig. De oeverzone ziet er gemiddeld beter uit. In de oeverzone maken we onderscheid tussen het deel onder water en het deel van de oever boven de waterlijn. Het deel van de oever ónder de waterlijn en begroeid met moerasplanten is gemiddeld erg smal. De mate van begroeiing in deze zone varieert sterk tussen locaties. De oever bóven de waterlijn is breder, gemiddeld 50-centimeter en met een flauw talud. Dit deel van de oever is gemiddeld circa 75% bedekt met planten. Opvallend is dat dit voor een groot deel planten zijn die op het land thuishoren en niet de moerasplanten die hier van nature horen te staan.

Omstandigheden in en om de sloot

Het algemene beeld van de onderzochte veenweidesloten is dat de waterdiepte beperkt is (gemiddeld 30 centimeter). Er is veel slib aanwezig, vaak meer dan een meter in het midden van de sloot. Dit slib bestaat uit structuurloos (dun) veraard veen. De eerste metingen laten zien dat zo’n 95% van de onderzochte oevers last heeft van onderholling. Onderholling is het wegspoelen van dun veraard veen van onder de oevervegetatie. De oeverzone blijkt een lage draagkracht te hebben. Ook in de percelen vinden we dat de draagkracht beperkt kan zijn.

Slibaanwas in de sloot wordt mogelijk veroorzaakt door het zogenaamde ‘tompouce-effect’. Dit fenomeen houdt in dat veen vanuit diepere bodemlagen langzaam wordt weggedrukt naar de sloot door het gewicht van de stevige toplaag en de tegendruk van de niet-veraarde diepere bodemlaag. Dit proces is niet direct zichtbaar en kan worden versneld door zware machines op nat land. De eerste metingen wijzen erop dat erosie, slibaanwas en slibsamenstelling belangrijke bepalende factoren zijn voor de kwaliteit van de veenweidesloot. Dit benadrukt het belang van een stevig wortelende oevervegetatie die tegendruk biedt en structuur geeft aan het structuurloze veraarde veen in de oever.

  • Klimaat en milieu

    De veenweidesloot van de toekomst is een sloot met minder uitspoeling van nutriënten, waardoor er minder baggervorming plaatsvindt. Dit leidt mogelijkerwijs tot een verminderde methaanuitstoot. Dit is gunstig voor het klimaat.

  • Ondernemers

    Agrarische ondernemers hebben vaak al ervaring met slootrandenbeheer in de ANLB. De veenweidesloot van de toekomst vormt hier een uitbreiding op, door in plaats van perceelranden beheer ook het slootprofiel aan te passen.

    Lees meer

  • Maatschappij

    Bloemrijke slootkanten en natuurvriendelijke oevers hebben in het beeld groot draagvlak bij het publiek. Voor de natuur is de veenweidesloot van de toekomst ook een verbetering, met schoner slootwater en kruidenrijke oevers.

  • Water

    Voor de waterschappen heeft de veenweidesloot van de toekomst vooral betekenis als bouwsteen voor het verbeteren van de waterkwaliteit en behalen van de Kader Richtlijn Water (KWR) doelen. 

    Lees meer

  • Biodiversiteit en beheer

    Onze eerste data lijken te bevestigen dat maai- en begrazingsbeheer een groot positief effect heeft op de soortenrijkheid van planten, en op de structuur van de vegetatie in de oever. Intensief maaien en begrazing leidt tot een dominantie van productiegrassen die weinig stabiliteit geven aan de oever. Het niet maaien en niet beweiden van de oever leidt in de experimenten al na een paar maanden tot de ontwikkeling van hogere, dieper wortelende planten die van nature ook thuishoren in deze vochtige oeverzone. Dit zorgt gevoelsmatig al duidelijk voor meer stabiliteit van de oever.  

    Lees meer

Stand van zaken

Het project VeeST is in 2023 van start gegaan met een verkenningsfase. Door de bestaande kennis en data en kennishiaten op een rij te zetten kunnen we in de navolgende jaren ons onderzoek heel gericht uitvoeren. Tijdens de verkenningsfase hebben we de variatie in veenweidesloten in Nederland in kaart gebracht. We hebben ook vastgesteld aan welke kenmerken de veenweidesloot van de toekomst moet voldoen. Daarnaast is op een rij gezet hoe beheer bijdraagt aan het verbeteren van de kwaliteitskenmerken van de veenweidesloot en welke risico’s bestaan door vernattingsmaatregelen. Ter voorbereiding op de uitvoeringsfase is een analysekader opgesteld en zijn eerste onderzoekslocaties vastgesteld. De verkenningsfase is begin 2024 afgerond met een rapportage en een plan van aanpak voor de uitvoering van ons onderzoek in 2024 en 2025.

TIJDLIJN

Pilotlocaties

1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13

Relatie met andere VIPNL thema’s

VeeST hoort bij het innovatiespoor water, net zoals greppelinfiltratie. Er ligt een mogelijke relatie met BoHW (Boeren op Hoog Water, innovatiespoor Integrale Bedrijfsvoering). Het streven naar peilverhoging van het grondwater wordt ondersteund door peilverhoging in de sloot. BOHW gaat over benutbaarheid voor agrarisch gebruik van de percelen, VeeST gaat over de sloten en slootkant, dus de thema’s grenzen aan elkaar.

CONTACT

Martijn Thijssen (Org-ID)

E-mailadres:
thijssen@org-id.org