Eindconclusies Boeren op Hoog Water: het kan, maar het kost wat

Het eerste deel van VIPNL-onderzoeksprogramma Living Lab Boeren op Hoog Water is afgerond met een eindrapportage (pdf). Op de website staan in de themasheet de belangrijkste conclusies uitgebreid uitgelicht. Hier een kort overzicht.

Wat betekent een verhoging van de grondwaterstand (circa 20 cm in plaats van 50 cm onder maaiveld) voor broeikasgasemissies, bodemdaling en het economisch perspectief van melkveebedrijven? Dat was de belangrijkste vraag.

Vergelijking drie bedrijfssystemen

Daarvoor zijn op de Hoogwaterboerderij in Zegveld tussen 2020 en 2024 drie bedrijfssystemen vergeleken:

  • met Holstein Friesians bij lage grondwaterstand (zonder waterinfiltratie)
  • met Holstein Friesians bij hoge grondwaterstand (met waterinfiltratiesysteem)
  • met Jerseys bij hoge grondwaterstand (met waterinfiltratiesysteem)

Conclusies

Hier de zes belangrijkste conclusies.

1. Lagere broeikasgas- en ammoniakemissies

Hoog water gaf een 15-18% lagere uitstoot van broeikasgassen (vooral CO2 uit de bodem) per hectare. Er was 62% minder veenafbraak en CO₂-emissies uit de bodem, maar dat werd deels tenietgedaan door de extra aanvoer van ruw- en krachtvoer van buiten het bedrijf. Er was een lagere emissie van ammoniak (4-14% minder per kg meetmelk). Dit kwam vooral door een lager eiwitgehalte in gras en rantsoen.

2. Lager bedrijfsresultaat door ruwvoer en waterbeheer

Door de hogere grondwaterstand daalde het saldo gemiddeld met € 147 per koe per jaar (variërend tussen € 9 tot € 393 minder), vooral door de hogere ruwvoerkosten. Daar komen nog de kosten bij van het waterinfiltratiesysteem van circa € 603 per hectare per jaar, ofwel € 297 per koe.

3. Beperkt effect op bodem en gras, behalve bij extreme natheid

De verhoogde grondwaterstand had in 2021-2023 verrassend genoeg nauwelijks effect op het aantal weidedagen of op het moment van oogsten. In het zeer natte voorjaar van 2024 was er echter wél een groot effect op het aantal weidedagen, en ook op de mogelijkheden om het gras te oogsten.
Qua grasopbrengst waren er in 2021 niet of nauwelijks verschillen, maar de opbrengstreductie liep op in het natte jaar 2024, met name op de hoogwaterveldkavel. Het ruweiwitgehalte nam licht af, maar verder waren er geen consistente verschillen in graskwaliteit tussen de hoog- en laagwaterpercelen in 2020-2023. Echter, in 2024 was de voerderwaarde van de zeer late eerste snede op de hoogwaterpercelen aanzienlijk lager.

4. Geen negatieve effecten op diergezondheid en melkproductie

Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor verhoogde risico’s voor de diergezondheid. Waar nodig werd een lagere voerkwaliteit gecorrigeerd met bijvoer, gericht op behoud van conditie en gewicht. Mede daardoor was er geen verschil in melkproductie. Leverbot, salmonella en lidrus waren (min of meer) afwezig op de gehele Hoogwaterboerderij, ongeacht de grondwaterstand.

5. Weinig effect op biodiversiteit

Er zijn weinig tot geen effecten geconstateerd op de biodiversiteit. Voor de meeste soortgroepen had de keuze ‘weiden of maaien’ meer invloed dan de grondwaterstand. Libellen werden wel vaker gezien bij hoogwaterpercelen. Slootkanten waren veel rijker aan plantensoorten dan de graspercelen, ongeacht de grondwaterstand.

6. Iets gunstiger stikstofbeeld bij hoogwater

De meetwaarden stikstof en fosfor van het hoog- én laagwatersysteem waren veelal hoger (vooral in perioden met een neerslagoverschot) dan in het referentiewater. Voor totaal N (Nts) had het laagwatersysteem een hoger gemiddelde en een grotere variatie in meetwaarden dan het hoogwatersysteem.
Na vijf groeiseizoenen (2020-2024) kunnen we concluderen dat het op de Hoogwaterboerderij in Zegveld technisch mogelijk is om een melkveebedrijf te houden bij een grondwaterstand van circa 20 cm onder maaiveld. Deze resultaten zijn specifiek voor deze locatie met haar specifieke bodemopbouw, ligging en weersomstandigheden, en dus niet zonder meer overdraagbaar naar andere veenweidenlocaties.

In 2025-2026 loopt een vervolgonderzoek.