Revisit WIS en DIS: innovatie van agrarische klimaatmaatregelen

In 2025 zijn twee nieuwe VIPNL-projecten van start gegaan: Revisit WIS en DIS.
Beide innovatieve projecten gaan over infiltratiesystemen: agrarische watermaatregelen in veenweiden om bodemdaling te remmen en uitstoot van broeikasgassen te verminderen.
Revisit WIS richt zich op concrete, praktische verbeteringen van bestaande waterinfiltratiesystemen (WIS): materiaal, toepassing, onderhoud, etc. DIS richt zich op praktijkonderzoek om druppelinfiltratiesystemen (DIS) in te zetten als vernattingsmaatregel in veenpercelen. Beide projecten lopen door in 2026 en 2027, de eerste resultaten zijn al wel gereed.

Verbeterpunten voor WIS

WIS is een beproefde infiltratietechniek om de grondwaterstand ’in de zomer omhoog te krijgen in veenweidepercelen. Het is van oorsprong een drainagetechniek waar, met het oog op infiltratie, verbeteringen nodig en mogelijk zijn. Denk aan het verbeteren van de werking van actieve systemen (AWIS), het beheer en onderhoud en het toepassen van materiaal van biologische oorsprong.

Eind 2025 is de inventarisatie afgerond naar verbeterpunten van WIS: zie de Revisit WIS-themasheet op de VIPNL-site. Paul Terwan Onderzoek & Advies heeft in maart 2026 een rapport opgesteld over activiteiten, kosten en de organisatie van het onderhoud, in samenspraak met melkveehouders, agrarische collectieven en andere praktijkdeskundigen.

We zetten het onderzoek voort naar praktijknormen voor actieve WIS, het testen van de werking van bestaande WIS in veenweidepercelen en het toepassen van doorspoeltechnieken en eindbuisbescherming. Dit resulteert in 2027 in een actuele Gebruiksgids WIS.

DIS wordt beproefd

DIS (druppelinfiltratiesysteem) is een techniek die sinds kort in veenweidegrond wordt beproefd. In het DIS-VIPNL project volgen we de bestaande proeven in Zegveld en Polsbroek en breiden die op onderdelen uit. Zo is in maart 2026 een extra DIS-proefveld aangelegd bij het VIC in Zegveld. Hier volgen we intensief wat de effecten zijn op grondwaterstand, bodemvocht, draagkracht van de bodem en gewasopbrengst. Daarnaast breiden we de monitoring uit op een DIS-perceel in Polsbroek. Dit is terug te lezen in het DIS-onderzoeksplan 2026–2027 (zie de DIS-themasheet op de VIPNL-site). Daar is ook de haalbaarheidsstudie DIS van Acacia Water uit 2025 te vinden, die mede de basis vormt voor het verdere praktijkonderzoek.

  • Meer informatie over Revisit WIS bij thematrekker Rienk Schaafsma en inhoudelijk trekker Wim Honkoop.
  • Meer informatie over DIS bij thematrekker Rienk Schaafsma en inhoudelijk trekker Jouke Velstra.

DIS aanleg, maart 2026.

CO₂-uitstoot uit veen fors lager na profielkeren

Voorlopige onderzoeksresultaten uit de Groote Veenpolder van Echten (FRL)

Binnen VIPNL wordt onderzocht wat het effect is van profielkeren op onder andere de uitstoot van broeikasgassen. Twee jaar na aanleg van een proefveld in de Groote Veenpolder van Echten zijn nu de eerste voorlopige resultaten beschikbaar. Die wijzen op een sterke verlaging van de CO2-uitstoot uit veen dat door profielkeren onder de grondwaterspiegel is gebracht.

Profielkeren: de bodem op z’n kop

Bij profielkeren wordt het bodemprofiel letterlijk omgekeerd. Het bovenliggende veen wordt dieper in de bodem gebracht, zoveel mogelijk onder de grondwaterspiegel. Het zand dat eronder ligt komt erboven. De teeltlaag wordt eerst opzijgelegd en na het keren weer teruggeplaatst, om de vruchtbaarheid te behouden. Het doel is om het veen langdurig zuurstofloos te houden. Deze maatregel is vooral geschikt voor percelen met een dunne veenlaag van maximaal 1 meter.

“Als veen boven de grondwaterspiegel komt te liggen, kan er zuurstof bij komen en dan begint het af te breken”, legt Maaike van Agtmaal, onderzoeker bij het Louis Bolk Instituut, uit. “Dat heet veenoxidatie en daarbij komt vooral CO2 vrij. Door het veen onder water te brengen, rem je dat proces.”

Een eerste blik onder de waterspiegel

Veldmetingen van CO2 zijn in de eerste jaren na het aanleggen van het proefveld lastig, omdat de bodem sterk is verstoord. Toch is afgelopen zomer besloten om labmetingen uit te voeren, om een eerste indicatie te krijgen of er door profielkeren een daling in CO2-uitstoot te verwachten is. Twee jaar na de profielkering zijn daarvoor bodemmonsters genomen om in het lab te bestuderen.

De bemonstering was een precisiewerk. De monsters liggen voor een deel onder de grondwaterspiegel en moesten zo zuurstofloos mogelijk worden genomen en verwerkt. “Zelfs een paar procent zuurstof kan invloed hebben op de uitkomst”, zegt Maaike. “De monsters zijn daarom onder strikt gecontroleerde omstandigheden genomen en ook in het lab zonder zuurstof onderzocht.”

Er zijn monsters genomen uit vier profielkerenplots en vier controleplots, met vier herhalingen per plot. In beide gevallen is de veenlaag bemonsterd op twee dieptes: een toplaag en een diepere onderlaag (zie afbeelding 1). Omdat het veen in de profielgekeerde plots dieper ligt, zijn daar ook monsters op grotere diepte genomen.

Grondmonsters die genomen zijn uit twee dieptes in de veenlaag van vier controle- en vier profielkerenplots, met vier herhalingen per plot.

 

Voorlopige metingen in het lab tonen sterke CO2-reductie

In het lab is per laag de CO2-emissie gemeten onder omstandigheden die overeenkomen met de veldsituatie. De monsters uit de toplaag van de controleplots zijn gemeten onder zuurstofrijke omstandigheden, omdat deze laag in het veld ook met zuurstof in contact komt. De overige monsters zijn zuurstofvrij verwerkt en gemeten, omdat deze lagen in het veld onder de grondwaterspiegel liggen.

Wanneer de toplagen worden vergeleken (links in afbeelding 2), blijkt dat de CO2-emissie in de gekeerde veenlaag substantieel lager is dan in de toplaag van het niet-gekeerde veen. Dit is de laag die door profielkeren onder de grondwaterspiegel is gebracht.

Ook de onderlagen geven een lagere CO2-emissie dan de toplaag van het controle plot (rechts in afbeelding 2). Wel is er meer variatie zichtbaar en ligt het gemiddelde in de onderlaag van de controle iets hoger dan in het gekeerde profiel. “Daar zijn verschillende mogelijke verklaringen voor, die in vervolgonderzoek nader worden onderzocht,” zegt Maaike.

De metingen laten daarmee zien dat onder zuurstofloze omstandigheden een sterke reductie van CO2-uitstoot optreedt. Daarmee geven de metingen een duidelijke indicatie dat profielkeren twee jaar na aanleg de emissie uit veenbodems kan verminderen.

Voorlopige resultaten van labmetingen van CO2-emissie uit veengrondmonsters (toplaag en onderlaag, zie afbeelding 1) na profielkeren, vergeleken met controleplots. Deze labmetingen zijn uitgevoerd aan de Universiteit Utrecht door Maaike van Agtmaal, Simone Weidner en Luuk Spierings van het Louis Bolk Instituut, in samenwerking met Joost Keuskamp van Biont Research.

Nuancering en vervolg

Tegelijk benadrukt Maaike dat het om voorlopige resultaten gaat. “Het betreft labmetingen op één meetmoment. De veenafbraak onder water is niet volledig nul, maar wel zeer laag. Hoe laag precies en of dit effect stabiel blijft, moeten we nog vaststellen.”

Komende zomer volgen nieuwe labmetingen, waarbij ook redoxcondities en het koolstofgehalte van het veen worden meegenomen. Als deze metingen vergelijkbare resultaten laten zien, wordt de aanwijzing dat profielkeren CO2-uitstoot vermindert sterker. Omdat labmetingen kunnen afwijken van metingen in het veld, is vervolgonderzoek in de praktijk nodig. “Deze eerste resultaten van labmetingen laten in ieder geval zien dat het de moeite waard is om met de proef verder te gaan en later ook metingen in het veld te gaan doen”, aldus Maaike.

De CO2-metingen maken deel uit van een breder onderzoek binnen VIPNL, waarbij ook gekeken wordt naar onder andere bodemstructuur, draagkracht, bodemleven, gewasgroei en kosten. “Het gaat niet alleen om klimaatwinst”, benadrukt Maaike. “Een maatregel moet ook praktisch toepasbaar zijn voor boeren.”

Ook onderzoek naar overlagen

Naast profielkeren wordt er in het VIPNL-programma ook onderzoek gedaan naar overlagen. Daarbij wordt een dunne laag klei of zand boven op het veen aangebracht, zodat het minder makkelijk in contact komt met zuurstof. Ook voor deze maatregel worden binnenkort labmetingen uitgevoerd om te onderzoeken wat er onder de afdeklaag gebeurt.

CO₂-verwaarding: eerste inzichten uit de praktijk

Het vastleggen van CO₂ biedt volop kansen voor grondeigenaren en ondernemers. Door CO₂-opslag een waarde toe te kennen, ontstaat ruimte om investeringen terug te verdienen én nieuwe, duurzame verdienmodellen te ontwikkelen. Maar hoe werkt dat in de praktijk?

In het rapport Gebruikerservaringen met SNK-methodieken voor CO2-verwaarding in het veenweidegebied zijn de ervaringen in kaart gebracht van diverse CO2-verwaardingsprojecten; van de eerste aanvraag tot de uiteindelijke uitgifte van certificaten – inclusief alle tussenliggende stappen. Het onderzoek laat zien wat goed werkt én waar verbetering mogelijk is. In het rapport worden vijf emissiereducerende methoden meegenomen, waarvan ‘Valuta voor Veen’ (verhoging grondwaterpeil) voor VIPNL de relevantste is (de andere zijn nieuw bos, blijvend grasland, methaanreducerend veevoer en agroforestry).

Belangrijkste inzichten

Een belangrijke conclusie is dat grondeigenaren intrinsiek gemotiveerd moeten zijn om hieraan mee te doen. CO₂-verwaarding vraagt momenteel namelijk nog veel tijd en inzet, en dus geld. Dat komt doordat de aanvraag ingewikkeld is, de methodes complex zijn, en er voor de betrouwbaarheid veel monitoring en verificatie nodig is. Ook zitten kennis en ervaring vaak bij een beperkt aantal organisaties.

Binnen ‘Valuta voor Veen’ zijn, vooral via Natuur en Milieufederaties (NMF’s), sinds 2018 19 projecten geregistreerd, waarvan er 13 gevalideerd zijn. De methode ‘emissiereductie in veenweide’ bepaalt hoeveel emissiereductie bereikt wordt bij een bepaalde waterpeilverhoging. Daarvoor is wel veel data nodig over het projectgebied. Zo moeten er peilbuizen worden geplaatst die jaarlijks moeten worden uitgelezen. In een eerste verbetering van de methode is een aantal peilbuizen vervangen door gebruik te maken van Somers 2.0 data uit een wetenschappelijk onderbouwd model. Hierdoor zijn de kosten voor monitoring omlaag gegaan.

Aandachtspunt is dat de methode ingewikkeld is, en dat praktijkkennis door vertrek van medewerkers van de NMF’s weer kan verdwijnen.

Wat is nodig om het proces te verbeteren?

Met dit eerste rapport leggen we de basis voor verdere vereenvoudiging, betere communicatie en doorontwikkeling van de methodieken. Met stappenplannen, rekentools en automatisering willen we het proces toegankelijker en sneller maken, en daarmee kostenefficiënter.

Gelukkig gebeurt er al veel. Partijen zoals de Natuur en Milieufederaties bundelen ervaringen, verzamelen praktijkvoorbeelden en ontwikkelen praktische tools.
Alle kennis en hulpmiddelen worden samengebracht in een centraal kennisloket over CO₂-verwaarding.

Benieuwd naar de concrete aanbevelingen per methode en de lessen uit lopende projecten? Lees hier het volledige rapport Gebruikerservaringen met SNK-methodieken voor CO2-verwaarding in het veenweidegebied (pdf).

Meer vogelsoorten door lisdoddeteelt in veenweidenlandschap

Wat betekent het voor de biodiversiteit in het veenweidelandschap als we het waterpeil verhogen en overschakelen naar natte teelten, zoals lisdodde? Recentelijk is onderzoek gedaan in verschillende Nederlandse proefvelden voor lisdoddeteelt. Dat laat zien dat de lisdoddevelden rijk zijn aan vogels, waaronder meerdere soorten die in Europa onder druk staan. De proefvelden zijn bijna net zo vogelrijk als natuurlijke wetlands en mogelijk rijker dan intensief gebruikte, gedraineerde veenweiden.

Natte teelten bieden kansen voor biodiversiteit

De publicatie in Ecological Solutions and Evidence toont de resultaten van onderzoek in relatief kleine lisdoddevelden van 0,2 tot 0,8 hectare en 3 tot 7 jaar oud, door een team van Engelse en Nederlandse onderzoekers. Dit zijn allemaal proeflocaties van het Veenweiden Innovatie Programma Nederland (VIPNL), gelegen in het veenweidengebied. In de directe omgeving werden negen graslanden en negen natuurlijke wetlands meegenomen in de vergelijking. Gemiddeld werden in lisdoddevelden 30,8 vogels per hectare geteld. Dat is vrijwel gelijk aan het gemiddelde in natuurlijke wetlands (31,5 vogels per hectare) en aanzienlijk hoger dan in gedraineerd grasland, waar gemiddeld 10,5 vogels per hectare werden aangetroffen.

Tussen wetland en grasland in

Niet alleen het aantal vogels is relevant, maar ook de samenstelling van de vogelgemeenschap. Op de lisdoddevelden tussen de veenweiden waren algemene graslandsoorten te vinden, maar ook typische moerasvogels, zoals de rietzanger, de rietgors en de kleine karekiet. De soortensamenstelling lag als het ware tussen grasland en wetland in. De meer gespecialiseerde moerasvogels werden echter uitsluitend in grotere, natuurlijke wetlands aangetroffen. Dat betekent dat lisdoddevelden natuurlijke wetlands niet vervangen, maar wel duidelijk meer biodiversiteit bieden dan intensief grasland en zo dus een waardevolle functie kunnen hebben in veenweidelandschappen.

De onderzoekers wijzen er in hun artikel op dat het onderzoek is gebaseerd op één meetmoment in het broedseizoen (mei 2024) en dat de lisdoddeproefvelden relatief klein en jong zijn. De onderzoeksresultaten geven daarmee een eerste, indicatie, maar geen volledig beeld van langetermijneffecten of grootschalige toepassing. Ook speelt beheer een belangrijke rol: oogst in de winter – wat de praktijk is voor de toepassing van lisdodde als bio-based bouwmateriaal – is gunstiger voor broedvogels dan oogst in het voorjaar.

Lisdodde biedt winst voor klimaat én biodiversiteit

Kortom, de studie laat zien dat natte teelten zoals lisdodde een interessante combinatie kunnen bieden van klimaatwinst en biodiversiteitsvoordeel. Verhoging van het waterpeil vermindert broeikasgasemissies uit veen, maar dit onderzoek laat zien dat dit tegelijkertijd kansen biedt voor broedvogels. Verdere monitoring en onderzoek moet uitwijzen hoe de vogelstand zich ontwikkelt bij verdere opschaling van lisdoddeteelt, op langere termijn.

Foto: Philip Bird. Rietgors in lisdodde

Eindconclusies Boeren op Hoog Water: het kan, maar het kost wat

Het eerste deel van VIPNL-onderzoeksprogramma Living Lab Boeren op Hoog Water is afgerond met een eindrapportage (pdf). Op de website staan in de themasheet de belangrijkste conclusies uitgebreid uitgelicht. Hier een kort overzicht.

Wat betekent een verhoging van de grondwaterstand (circa 20 cm in plaats van 50 cm onder maaiveld) voor broeikasgasemissies, bodemdaling en het economisch perspectief van melkveebedrijven? Dat was de belangrijkste vraag.

Vergelijking drie bedrijfssystemen

Daarvoor zijn op de Hoogwaterboerderij in Zegveld tussen 2020 en 2024 drie bedrijfssystemen vergeleken:

  • met Holstein Friesians bij lage grondwaterstand (zonder waterinfiltratie)
  • met Holstein Friesians bij hoge grondwaterstand (met waterinfiltratiesysteem)
  • met Jerseys bij hoge grondwaterstand (met waterinfiltratiesysteem)

Conclusies

Hier de zes belangrijkste conclusies.

1. Lagere broeikasgas- en ammoniakemissies

Hoog water gaf een 15-18% lagere uitstoot van broeikasgassen (vooral CO2 uit de bodem) per hectare. Er was 62% minder veenafbraak en CO₂-emissies uit de bodem, maar dat werd deels tenietgedaan door de extra aanvoer van ruw- en krachtvoer van buiten het bedrijf. Er was een lagere emissie van ammoniak (4-14% minder per kg meetmelk). Dit kwam vooral door een lager eiwitgehalte in gras en rantsoen.

2. Lager bedrijfsresultaat door ruwvoer en waterbeheer

Door de hogere grondwaterstand daalde het saldo gemiddeld met € 147 per koe per jaar (variërend tussen € 9 tot € 393 minder), vooral door de hogere ruwvoerkosten. Daar komen nog de kosten bij van het waterinfiltratiesysteem van circa € 603 per hectare per jaar, ofwel € 297 per koe.

3. Beperkt effect op bodem en gras, behalve bij extreme natheid

De verhoogde grondwaterstand had in 2021-2023 verrassend genoeg nauwelijks effect op het aantal weidedagen of op het moment van oogsten. In het zeer natte voorjaar van 2024 was er echter wél een groot effect op het aantal weidedagen, en ook op de mogelijkheden om het gras te oogsten.
Qua grasopbrengst waren er in 2021 niet of nauwelijks verschillen, maar de opbrengstreductie liep op in het natte jaar 2024, met name op de hoogwaterveldkavel. Het ruweiwitgehalte nam licht af, maar verder waren er geen consistente verschillen in graskwaliteit tussen de hoog- en laagwaterpercelen in 2020-2023. Echter, in 2024 was de voerderwaarde van de zeer late eerste snede op de hoogwaterpercelen aanzienlijk lager.

4. Geen negatieve effecten op diergezondheid en melkproductie

Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor verhoogde risico’s voor de diergezondheid. Waar nodig werd een lagere voerkwaliteit gecorrigeerd met bijvoer, gericht op behoud van conditie en gewicht. Mede daardoor was er geen verschil in melkproductie. Leverbot, salmonella en lidrus waren (min of meer) afwezig op de gehele Hoogwaterboerderij, ongeacht de grondwaterstand.

5. Weinig effect op biodiversiteit

Er zijn weinig tot geen effecten geconstateerd op de biodiversiteit. Voor de meeste soortgroepen had de keuze ‘weiden of maaien’ meer invloed dan de grondwaterstand. Libellen werden wel vaker gezien bij hoogwaterpercelen. Slootkanten waren veel rijker aan plantensoorten dan de graspercelen, ongeacht de grondwaterstand.

6. Iets gunstiger stikstofbeeld bij hoogwater

De meetwaarden stikstof en fosfor van het hoog- én laagwatersysteem waren veelal hoger (vooral in perioden met een neerslagoverschot) dan in het referentiewater. Voor totaal N (Nts) had het laagwatersysteem een hoger gemiddelde en een grotere variatie in meetwaarden dan het hoogwatersysteem.
Na vijf groeiseizoenen (2020-2024) kunnen we concluderen dat het op de Hoogwaterboerderij in Zegveld technisch mogelijk is om een melkveebedrijf te houden bij een grondwaterstand van circa 20 cm onder maaiveld. Deze resultaten zijn specifiek voor deze locatie met haar specifieke bodemopbouw, ligging en weersomstandigheden, en dus niet zonder meer overdraagbaar naar andere veenweidenlocaties.

In 2025-2026 loopt een vervolgonderzoek.

Inspiratiemarkt ‘Toekomst op het erf’ druk bezocht

Op woensdagmiddag 10 december organiseerde Stimuland de inspiratiemarkt De toekomst op het erf. Tijdens dit evenement werd de Subsidieregeling Toekomstgerichte Landbouw Staphorst gepresenteerd door Wethouder Lucas Mulder.

De belangstelling was groot. Na de presentatie van de subsidieregeling was er ruimte om met elkaar bij te praten en een praatje te maken bij de diverse stands met nieuwe technische snufjes en innovaties. Het aanbod was divers en paste bij de doelstellingen uit de regeling en de maatregelen voor het veenweidegebied. Door de krachten te bundelen en twee projecten te combineren konden we een goed gevuld programma aanbieden.

Transitiefonds toekomstgerichte landbouw Staphorst

Gemeente Staphorst heeft een transitiefonds toekomstgerichte landbouw in het leven geroepen. De gemeenteraad onderkent dat boeren voor grote opgaven staan onder andere op het gebied van water, bodem, stikstof, natuur en verdienvermogen. Daarom kunnen boeren uit de gemeente aanspraak maken op het fonds voor een subsidie voor een innovatief project. Projecten moeten bijdragen aan verbetering van de landbouwpraktijk op minimaal twee van de gestelde doelen (waaronder kwaliteit water en bodem, biodiversiteit, ontwikkelen nieuwe verdienmodellen, verkorten keten, natuurinclusiever werken etc).

Noordwest-Overijssel is als veenweidegebied een van de proeftuinen van VIPNL. De proeftuintrekker Suzanne Harink deelt regelmatig informatie met de boeren in het gebied, onder andere via deze inspiratiemarkt. Ze is bereikbaar via sharink@stimuland.nl

Veenmosoogst Friesland en onderzoekslocatie Leiden

Op proeflocatie Bûtefjild in Friesland is onlangs het eerste veenmos geoogst. De onderzoekers willen graag weten hoe snel het veenmos teruggroeit na de oogst en analyseren wat de mogelijkheden zijn voor het eindproduct. Valt er een hoogwaardig potgrondsubstraat van te maken, wat een interessant verdienmodel kan opleveren? Of valt het in een lagere substraatklasse?

Mogelijk is het geschikt als vervanging voor het turf in potgrond, dat nu in de Baltische Staten en Scandinavië wordt afgegraven. Onderzoek zal uitwijzen of het inderdaad dezelfde eigenschappen als bijvoorbeeld pH en watervasthoudend vermogen heeft als die turf.

In Bûtefjild is een strook van 90 bij 2,5 meter geoogst, met een kraan met maaikorf en knipinrichting, zoals ook wel gebruikt wordt om sloten te schonen. Willem Stuulen, thematrekker van Veenmosteelt, legt uit hoe dat in zijn werk gaat: “Eerst haalt de kraan de bovenste 5 centimeter levend groen veenmos eraf, en legt dat opzij. Daarna oogsten we 10 cm van het diepergelegen veenmos daaronder, tot ongeveer op het witveen, maar niet tot op de kale modderlaag die hieronder zit. We laten een laagje witveen liggen, en enten daarop weer het levende veenmos dat we opzij hadden gelegd, om de groei weer op gang te brengen. We gaan die hergroei nauwkeurig monitoren.”

Nieuwe veenmosteeltlocatie

Stuulen is ook blij om te kunnen melden dat er een nieuwe onderzoekslocatie voor veenmosteelt komt. “In Oude Ade, vlak bij Leiden, is de Universiteit Leiden ook bezig met natte teelten, en ze willen dit graag inrichten en monitoren binnen VIPNL. Een mooie samenwerkingskans! We schrijven nu een voorstel om in 2026 verder onderzoek te gaan doen.”

Zie voor meer informatie de Themasheet Veenmosteelt

Nieuw thema Weide en Water

Wat betekent vernatten voor de landbouwpraktijk?

Vernatten heeft gevolgen voor de uitstoot van broeikasgassen maar natuurlijk ook voor de bedrijfsvoering van melkveehouders. In het nieuwe thema Weide en Water wil VIPNL graag in kaart gaan  brengen hoe draagkracht van de bodem en grasgroei veranderen als de grondwaterstand omhoog gaat. Betere kennis van deze processen kan uiteindelijk ook de berekeningen voor compensatie nauwkeuriger maken.

We willen graag beter begrijpen wat het effect is van het verhogen van de grondwaterstand: hoe werkt dat door in bodemvocht en in draagkracht van de bodem? En hoe verandert de grasgroei? Deze vragen zijn niet nieuw. Deze veranderingen worden al gedeeltelijk sinds 2020 gemeten op de hoogwaterboerderij in Zegveld. Maar we weten ook dat de resultaten anders zijn bij verschillende veenbodems. Daarom gaan we dat onderzoek nu uitbreiden naar andere locaties om de processen in verschillende veenbodems veel beter te begrijpen.

Verschillen tussen locaties in beeld

Afgelopen zomer hebben we acht verschillende locaties door heel het veenweidegebied van Nederland geselecteerd. De graslandpercelen op deze melkveebedrijven liggen op verschillende veentypes en op alle bedrijven wordt beweiding toegepast, zodat we ook het verschil tussen maaien en weiden mee kunnen nemen. Op elk van die locaties meten we op een perceel met een relatief hoge en een lage grondwaterstand.

Op alle verschillende locaties verwachten we een andere dynamiek in de bodem. We willen graag begrijpen wat dat betekent voor de draagkracht en de grasgroei.

Veranderingen door het seizoen heen

Het voor- en najaar zijn belangrijke momenten om te meten. In het najaar willen we graag weten wanneer de bodem te nat wordt, in het voorjaar wanneer het droog genoeg is voor een boer om aan het werk te gaan. We hebben twee typen metingen: de seizoensmetingen en de detailmetingen. De seizoensmetingen vinden in het voorjaar en najaar plaats om de twee weken. Dat is nodig om beter in beeld te krijgen hoe factoren, zoals weer, de bodem beïnvloeden. Onderzoeker Nyncke Hoekstra (Louis Bolk Instituut): “Op het moment dat het gaat regenen, wordt de bodem natter. Maar hoe lang duurt het dan voordat de draagkracht ook achteruitgaat? Als je uit een droge periode komt, dan kan de grond best nat zijn terwijl de draagkracht eigenlijk nog best goed blijft. Dat is heel anders in het voorjaar, als de grond al helemaal slap is. Bij eenzelfde bodemvochtgehalte kan de draagkracht dus verschillen. Daarom is het heel belangrijk om in verschillende seizoenen en onder verschillende weersomstandigheden inzicht te krijgen in de verbanden.”

De detailmetingen zijn gericht op precies het overgangsmoment van ‘voldoende naar onvoldoende draagkracht’ en visa versa in het voorjaar. Dat moment treedt vaak op in een tijdsbestek van enkele dagen. Met deze metingen willen we precies begrijpen welke factoren van invloed zijn op de draagkracht.

De werkelijke gevolgen voor de boer

De onderzoekers willen ook graag weten hoe boeren omgaan met de veranderingen in draagkracht. Gaan ze hun koeien minder weiden? Gebruiken ze een lichtere machine, of kan dat helemaal niet omdat de loonwerker die niet beschikbaar heeft? Die informatie wordt bij boeren en loonwerkers opgehaald.

Dit is relevant om te begrijpen tot welke schade vernattingsmaatregelen leiden. Uiteindelijk wordt alle informatie gebruikt om compensatiemodellen beter en locatiespecifieker te maken. Beleidsmakers kunnen boeren dan veel eerlijker compenseren voor het uitvoeren van vernattingsmaatregelen.

 

Meer informatie leest u in de Themasheet Weide en Water.

Programmacoördinator Roel van Gerwen neemt afscheid

In de regio werd al volop geëxperimenteerd, maar met de komst van het Klimaatakkoord ontstond er behoefte aan een landelijk veenweideprogramma. Roel van Gerwen hielp dat programma in de benen en zwaait nu af als programmacoördinator van VIPNL. Tijd voor een gesprek.

“Dat er zo goed wordt samengewerkt tussen zoveel mensen om de klimaatdoelen te halen, dat maakt me wel trots”

De handtekeningen onder het klimaatakkoord waren nauwelijks droog toen de Covid-pandemie uitbrak. Roel van Gerwen had als programmamanager van het Noord-Hollandse veenweideprogramma (Innovatieprogramma Veen) meegedacht aan de klimaattafel veenweide, zat ineens thuis en had tijd genoeg. Hij besloot om maar meteen aan een voorstel voor een landelijk veenweideinnovatieprogramma te beginnen. Die behoefte was er: er gebeurde dan wel van alles in de verschillende veenweideregio’s, dat was erg regionaal en weinig samenhangend. Terwijl nog  grotendeels het inzicht ontbrak hoe in veenweidegebieden de klimaatdoelen gehaald konden worden en wat onder welke omstandigheden het beste werkt.

Roel zocht partners in het Groene Hart en Noord-Nederland en zette samen met Frank Lenssinck (Veenweiden Innovatiecentrum) en Hans van der Werf (Friese Milieu Federatie) de eerste contouren van VIPNL op papier.

Bouwen aan een netwerk

Tijdens de laatste VIPNL-dag op 4 september 2025 zaten er honderd mensen in de zaal, en dat maakt hem toch wel het meest trots, zegt Van Gerwen: de samenwerking die is ontstaan tussen programmapartners, onderzoekers, het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) en alle andere relevante partijen.

Dat betekende dat in 2021, bij de start van het programma, alles nog moest worden opgebouwd: financiering, een programma en het betrekken van de juiste mensen. Van Gerwen vond het daarbij belangrijk om onderzoekers in het juiste spoor mee te krijgen. “Je moet durven je hele onderzoek om te gooien als het nodig is. Innovatie werkt in dat opzicht echt anders dan regulier onderzoek, waarin je vooraf bepaalt hoe je onderzoek eruitziet van begin tot eind. Bij innovatie ga je experimenteren, en als dat niet werkt ga je je experiment aanpassen. Dat is ook regelmatig gebeurd, in het thema natte teelten bijvoorbeeld. Sommige teelten zijn afgevallen, andere toegevoegd.”

Daarbij was het een bewuste keuze om relevante partijen zoals de markt, experts, ervaringsdeskundigen, etc. in elk afzonderlijk thema actief te betrekken, via een begeleidingscommissie. “De begeleidingscommissie heeft een adviserende rol, maar geen sturende rol, er zitten mensen in die er verstand van hebben en kritische vragen stellen. Die heb je nodig om uiteindelijk te komen tot praktisch werkbare en gevalideerde maatregelen die de overheid kan benutten om maatregelen op te schalen.”

Praktische benadering

Van Gerwen heeft altijd die praktische blik gehanteerd: het moet in de praktijk werken. Dat betekent dat maatregelen bij boeren, die voor hun boterham afhankelijk zijn van het land, in het verdienmodel passen. Het betekent ook dat de afzetmarkt voor producten van nieuw landgebruik nu al worden meegenomen. “Neem het gebruik van lisdodde in isolatiemateriaal. Je hebt eigenlijk een geheel nieuwe marktketen nodig in een sector die nu niet duurzaam is. Als je natte teelten serieus neemt, moet je ook daaraan gaan werken.”

De grootste uitdaging voor de toekomst is ook praktisch van aard, denkt Van Gerwen: “Hoe ga je handhaven dat het langjarig beheer van maatregelen op de juiste manier uitgevoerd wordt? Als je je waterinfiltratiesysteem niet onderhoudt, dan is er geïnvesteerd en misschien wel subsidie verleend, maar haal je alsnog je klimaatdoel niet. Je hebt echt een autoriteit nodig die hierop handhaaft.”

Hij ziet daarbij kansen voor de collectieven. “Collectieven staan het dichtst bij de boer. Je ziet in Noord-Holland al hoe dat goed werkt: hier adviseert onze proeftuintrekker Martine Bijman namens collectief Water Land & Dijken boeren over maatregelen, ze vraagt maatregelen aan en regelt dat boeren ermee aan de slag kunnen. Het wordt een grote uitdaging om de uitrol te laten lukken, maar daarom ben ik ook blij met onze proeftuintrekkers die echt met de voeten in het veen staan.”

Roel van Gerwen gaat aan de slag als landschapsarchitect bij het Rijksvastgoedbedrijf onder andere om te werken aan urgente defensieopgaven. Maar hij zal het veenweidedossier met meer dan gemiddelde interesse blijven volgen!

Een vervanger voor Roel wordt gezocht. Zijn taken worden voorlopig waargenomen door Arnoud de Vries van Natuurlijke Zaken: Arnoud de Vries