Van meten naar begrijpen naar voorspellen: samen brengen VIPNL en NOBV de klimaatwinst van maatregelen in kaart
Welke maatregel kan ik als beleidsmaker op locatie A stimuleren voor de meeste klimaatwinst? Gaan we met deze maatregelen de klimaatafspraken voor het veenweidegebied halen? Complexe vragen die nog niet goed te beantwoorden zijn. Nóg niet. VIPNL en het NOBV trekken al jaren samen op en gaan dat steeds intensiever doen. Ze combineren innovatie aan praktische maatregelen met wetenschappelijk en toegepast onderzoek naar broeikasgassen. Het doel: steeds beter begrijpen hoe broeikasgassen ontstaan. Daardoor kunnen ze ook steeds beter de emissies onder bepaalde omstandigheden voorspellen.
In het Klimaatakkoord (2019) is afgesproken dat veenweidegebieden jaarlijks vanaf 2030 1 Mton minder CO2-equivalenten uitstoten. Daarvoor zijn een aantal vragen relevant. Welke maatregelen helpen die uitstoot te verlagen? En hoe hoog is de uitstoot nu?
Het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) en VIPNL willen samen een antwoord vinden op deze vragen. VIPNL kijkt daarbij vooral naar de praktische kant van maatregelen: hoe krijgen we ze werkend in het veld, kunnen grondgebruikers ermee uit de voeten en kan het economisch uit? Maar ook: zijn er bijeffecten voor biodiversiteit en waterkwaliteit en hoeveel water vraagt een maatregel? Hoe is de maatschappelijke acceptatie?
Het NOBV (opgericht in 2019) doet wetenschappelijk onderzoek naar het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. Specialistisch werk. Pas met een gedegen onderbouwing kunnen beleidsmakers de resultaten gebruiken bij de keuzes die ze maken: op welke manier kunnen we de uitstoot in veenweiden terug gaan dringen? Daarnaast vormen deze cijfers een belangrijke onderbouwing of afgesproken doelen gehaald worden.
Het moet wel werken in de praktijk
Sinds de start van VIPNL in 2022 denken beide partijen samen na over het inrichten van VIPNL-onderzoek. Dat is niet voor niets, want het blijkt schipperen tussen de klimaatopgave (broeikasgassen) en de praktijk, legt Roel van Gerwen, programmacoördinator van VIPNL, uit. “Als VIPNL zijn we met name aan het innoveren. Net zo lang proberen tot we denken: zo werkt het optimaal in de praktijk, voor verschillende factoren. Optimaal is dan niet per se optimaal voor broeikasgasuitstoot.”
Pui Mee Chan, programmamanager NOBV, vult aan. “Wij kijken met een wetenschappelijke bril juist wél wat het beste is tegen die broeikasgasuitstoot. We zeggen dan bijvoorbeeld: we denken dat voor emissiereductie de greppels bij greppelinfiltratie dichter bij elkaar zouden moeten liggen. En dan zegt Roel: er is geen boer die zo wil werken.”
Van Gerwen: “En als een gebruiker er niet mee uit de voeten kan, dan heb je er niets aan.”
Wat gebeurt er? En waaróm gebeurt het?
Uiteindelijk is het terugdringen van die broeikasgasuitstoot (CO2, maar ook methaan en lachgas) natuurlijk wel het doel. Het ontrafelen van de waaromvraag speelt daarom een essentiële rol. Wat gebeurt er in de bodem, waardoor op de ene plek meer of minder van een broeikasgas vrijkomt?
Door te begrijpen wat er gebeurt, kun je uiteindelijk ook uitspraken doen over plekken waar je niet gemeten hebt. Pui Mee Chan: “We kunnen niet overal meten: er is 200 duizend hectare veenweidegebied. Daarom heeft het NOBV een model ontwikkeld, SOMERS*, om op basis van metingen en rekenregels te berekenen wat de verwachte uitstoot in een bepaald gebied is. We kijken in onze onderzoeken welk effect vernatting heeft op de processen in de bodem. Daarom meten we niet alleen de uitstoot van broeikasgassen, maar ook parameters als temperatuur en pH. Zo proberen we verbanden te leggen.”

Een NOBV-meetlocatie in Vlist. Bron foto: NOBV.
Meer meten voor meer betrouwbaarheid
Daarbij geldt: hoe meer meetpunten, hoe kleiner de onzekerheid van SOMERS. En precies dat gaan het NOBV en VIPNL samen doen: meer meten, bij meer verschillende maatregelen. Daarvoor hebben ze in ieder geval tot en met 2027 de tijd. Ondertussen denken Chan en Van Gerwen ook alvast na over een vervolg. Zodat, als beide programma’s stoppen, de opgedane kennis behouden blijft en verder ontwikkeld wordt. En beleidsmakers straks wetenschappelijk onderbouwd kunnen zeggen: op deze locatie hebben deze maatregelen het meeste effect.
*Subsurface Organic Matter Emission Registration System
Afbeeldingen: NOBV