Hydrologische lessen pilot natte teelt Ankeveen

Sinds 2019 wordt in Ankeveen (polder Kortenhoef) praktijkonderzoek uitgevoerd naar natte teelt (paludicultuur) als alternatief voor gangbaar grasland op veengrond. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en Waternet onderzochten hier de waterhuishouding, effecten op het omliggende watersysteem en de relatie met bodemdaling. Sinds 2021 zijn VIPNL en het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) aangehaakt. Zij hebben onderzoek verricht naar respectievelijk de productieketen rond natte teelt en de broeikasgasemissies.

Waterbeheer, waterstanden en watervraag

In de proefvakken met lisdodde en riet werd het waterpeil in het groeiseizoen actief gestuurd op circa 10–15 cm boven maaiveld. Met pompen, stuwen en waterdichte keringen bleek dit technisch goed beheersbaar. In het omliggende grasland daalde de grondwaterstand in dezelfde periode tot 20–40 cm onder maaiveld.

De netto wateraanvoer bedroeg circa 1.000–1.600 mm per jaar. Waterbalansanalyse laat zien dat deze hoge watervraag niet primair wordt veroorzaakt door extra gewasverdamping — die vergelijkbaar is met reguliere landbouw — maar vooral door infiltratie (wegzijging) naar diepere bodemlagen. De lokale geohydrologische situatie, met een dunne deklaag en een sterk verhang naar diepere grondwaterlagen, speelt hierin een belangrijke rol. Door optimalisatie van het peilbeheer nam de efficiëntie van de wateraanvoer in de loop van de jaren toe, zonder verlies van waterstand of opbrengst.

Bodemdaling en opbrengstontwikkeling

Hoogtemetingen met dGPS in 2018 en 2025 geven een indicatie van maaiveldveranderingen over zes jaar. In het referentiegrasland is lichte bodemdaling zichtbaar, terwijl in de natte teeltvakken geen tot nauwelijks daling is gemeten. Lokaal is sprake van lichte maaiveldstijging, mogelijk door ophoping van organisch materiaal en beginnende veenvorming. Door verschillen in meetmoment kunnen geen exacte dalingssnelheden worden afgeleid.

De lisdoddeopbrengst nam toe van 11,5 ton versgewicht in 2022 naar 14,9 ton in 2024. In 2024 werd in één proefvak tijdens de zomerperiode drie keer een tijdelijke droogval geforceerd om de watervraag te onderzoeken. Op basis van de oogstgegevens leidde dit niet tot een lagere opbrengst. De effecten op methaanemissies en verdamping worden nader onderzocht binnen NOBV.

Meer lezen?
In het volledige vakartikel “Natte teelt in veenweiden: lessen uit de pilot Ankeveen”  worden de meetopzet, waterbalansanalyse, infiltratieprocessen en broeikasgasmetingen uitgebreid beschreven.

Revisit WIS optimaliseert waterinfiltratiesystemen

Waterinfiltratiesystemen (WIS) spelen een steeds grotere rol bij het beperken van bodemdaling en CO2 -uitstoot uit veenweidebodems. Ze verhogen de grondwaterstand in droge perioden waardoor de veenoxidatie wordt beperkt. Ondanks ook veel goede ervaringen en positieve effecten, blijkt dat de aanleg en werking van WIS in de praktijk niet altijd optimaal verloopt. Het project Revisit WIS onderzocht samen met gebruikers, waterschappen en onderzoekers wat er beter kan. Interviews en veldobservaties brachten de volgende uitdagingen in beeld.

1: Bodem en water te weinig meegenomen

Een eerste uitdaging zit in het ontwerp en de aanleg: de indruk bestaat dat bodem en water in het verleden te weinig leidend waren bij de WIS-locatiekeuze, met een verminderde werking tot gevolg. Het gaat dan om factoren als kweldruk, kleilagen en minder geschikt veen, zoals schalterveen. Geleerd kan worden van meer recente WIS-plannen waar vooraf expliciet naar deze factoren is gekeken. Deze goede ervaringen worden opgenomen in een (geactualiseerde) gebruiksgids Revisit WIS.

Schalterveen.

2: Financiering lastig, vergunningen onduidelijk

Daarnaast zijn er vele uitdagingen bij projectaanvragen en financiering. Subsidieprocedures zijn vaak traag en ingewikkeld, terwijl uitvoeringsorganisaties zoals agrarische collectieven meestal niet de financiële buffers hebben om voor te financieren. Ook verschillen de eisen en vergunningen per provincie en waterschap, wat voor vertraging en onduidelijkheid kan zorgen. Kortom een uniform, langdurig en helder kader ontbreekt op dit moment voor initiatiefnemers. Met nieuwe provinciale subsidieregelingen en regionale programma’s wordt gewerkt aan de nodige verbeteringen.

3: Aansturing van de aanleg

Een effectieve aansturing en begeleiding in het veld bij aanleg van WIS blijkt cruciaal: een lokale kartrekker die vertrouwen wekt kan de realisatie versnellen en een rol spelen in het beter borgen van de kwaliteit. De aannemer heeft voldoende uitvoeringstijd nodig om zorgvuldig te kunnen inspelen op mindere weersomstandigheden (met name droogte).

4: Kwaliteit van de aanleg

Het borgen en controleren van de kwaliteit van de aanleg is een duidelijke uitdaging. Het ontbreekt, vooral bij AWIS (actieve infiltratiesystemen), aan duidelijke hydrologische normen. Zaken als de diameter van de distributieleiding, de pompcapaciteit, accu en zonnepanelencapaciteit worden nu ad hoc bepaald, terwijl dit grote invloed kan hebben op de werking. In het ontwerp kan ook beter rekening worden gehouden met het latere onderhoud.

Tijdens de daadwerkelijke aanleg is het van belang om de rijsnelheid te controleren en ook de vlakligging (met data van de laser). Voor controle van de werking achteraf zijn op dit moment geen goede mogelijkheden. ReVisit WIS gaat hiernaar op zoek.

5: Zoektocht naar milieuvriendelijke omhulling

Drains hebben vaak kunststof omhullingen. Die zijn achteraf niet gemakkelijk te verwijderen en laten microplastics achter in de bodem. Er wordt geadviseerd met natuurlijke alternatieven (zoals kokos of sisal) te werken. Er wordt geëxperimenteerd met afbreekbare drains van biologische oorsprong, maar die bevinden zich nog in de testfase.

Buis met een natuurlijke omhulling.

6: Zoektocht naar juiste filter

In het verleden is veel gebruik gemaakt van een fijn filter (O450-filter), maar deze geeft in infiltratiesituaties mogelijk een hoger risico op vervuiling. Experts zijn het erover eens dat het beter is te werken met een grover filter met een O-waarde van 1000, en onderzocht moet worden of het zelfs zonder filter kan.

7: Afspraken over onderhoud en beheer

In de praktijk is er na aanleg vaak nauwelijks controle op een goed beheer. We hebben in het veld geconstateerd dat systemen verstopt raken omdat de eindbuizen in de modder liggen of in de sloot dichtgroeien. Ook hebben we situaties geconstateerd met AWIS waarbij de pompen duidelijk al langere tijd niet in gebruik waren (minimaal één seizoen). Dit leidt tot een verminderde instroom, vervuiling en onnodige uitval. Er zijn op dit moment geen onderhoudsprotocollen of structurele financiering voor het onderhoud. Veehouders hebben over het algemeen geen landbouwkundige voordelen van WIS-systemen waardoor alle extra kosten aan het systeemonderhoud voor hen ook werkelijke meerkosten zijn.

Onderzoek naar dichtgegroeide drain-uiteinden.

8: Reductie in praktijk nog niet geborgd

Naast het ontbreken van een controlesystematiek op een goed beheer, vraagt een goede aanleg van systemen aandacht. In het registratiesysteem SOMERS is de reductie nauwkeurig bepaald. In de praktijk wijken reducties af, omdat WIS-systemen niet altijd optimaal functioneren. Hiermee gaat Revisit WIS aan de slag.

Onderzoek gaat verder

Revisit WIS ziet kansen in uniforme regels, praktische protocollen en het meenemen van onderhoud vanaf het begin van projecten. Ook slimme innovaties of praktische aanpassingen kunnen helpen om de effectiviteit te vergroten. Daarnaast zoeken we uit in welke mate genoemde problemen daadwerkelijk spelen in een aantal polders.

Het uiteindelijke doel van Revisit WIS is helder: WIS-systemen die betrouwbaar werken, makkelijker zijn te beheren en daadwerkelijk bijdragen aan het beperken van bodemdaling en de CO2-uitstoot.

Meer lezen?

Lees de Samenvatting uitdagingen Revisit WIS (pdf).

Kijk in de themasheet.

Tekst: Rienk Schaafsma en Wim Honkoop

Nieuw thema Veen aan Zee van start

De zeespiegel stijgt en de bodem daalt. West-Nederland heeft in toenemende mate last van verzilting. Daarnaast is er in de zomer steeds minder zoetwater beschikbaar. Kun je misschien brakwater gebruiken om veenweidegebieden te vernatten? Dat gaan we uitzoeken in het thema Veen aan Zee.

Landbouw met brakwater? Zo gek is die gedachte niet. Vóór de aanleg van de Afsluitdijk had heel Noord-Holland brakwater. Er graasden koeien en er kwam lekkere  kaas vandaan.

Bovendien zorgt verzilting in West-Nederland voor toenemende problemen. Slechts 0,8% van al het water op aarde is beschikbaar zoetwater. 97% van het water op aarde is zout. Het is de moeite waard om te kijken of je het probleem van de toenemende verzilting kunt omzetten in een kans.

Onderzoek als drietrapsraket

Eerst willen we weten wat brakwater doet in de veenweidebodem. Hoe reageren micro-organismen? Wat is het effect van zout op veenafbraak? Is het effect van verbrakking blijvend of tijdelijk?

Daarnaast willen we natuurlijk graag weten welke gevolgen verzilting heeft voor de veehouderij, de teelt van gewassen en de biodiversiteit. Hoe kan de landbouw nog functioneren?

De vervolgvraag is: wat betekent dit voor het watersysteem? Kun je het systeem zo inrichten dat zoet- en zoutwater naast elkaar bestaan? Wat betekent dat voor het landschap? En hoe gaan we het organiseren met elkaar?

Eerste onderzoeken van start

In januari zijn we begonnen met een aantal landschapssnedes: doorsnedes door de meest representatieve veengebieden en de waterhuishouding. Deze zijn bedoeld om het (geo)hydrologische systeem in de vingers te krijgen. Hoe stroomt het grond- en oppervlaktewater in de huidige situatie, waar is nu al sprake van verzilting en in welke mate? Maar ook: waar komt het zoete water vandaan in tijden van droogte? Er worden zes snedes gemaakt op zes plekken in Nederland die verschillen in onder andere bodem en hydrologie.

Het NOBV doet in het lab onderzoek naar wat er gebeurt met micro-organismen en broeikasgasuitstoot door verschillende veenmonsters te mengen met brak water. Ook starten we een praktijkproef: in het Ilperveld leggen we vakken aan met verschillende mate van verbrakking.

We werken in dit thema samen met een aantal onderzoeksinstellingen en landschapsarchitecten. Meer hierover lees je in de themasheet.

Nieuwe brochure: kansen en praktijkervaringen van natte teelten

Sinds 2022 telen we binnen VIPNL tien verschillende natte gewassen. We hebben steeds beter in de vingers waar en hoe dat goed lukt. Hoog tijd om die praktijkervaringen te delen, voor beleidsmakers en andere geïnteresseerden.

De belangrijkste conclusies

Er zijn verschillende veelbelovende gewassen waarmee we goede ervaringen hebben opgedaan zoals riet, wilg, els en lisdodde.

Dit alles is wel locatieafhankelijk: niet elke type gewas past op elke locatie. Ook gaat een maximale opbrengst niet (altijd) samen met de hoogste winst voor klimaat (en andere ecosysteemdiensten). Natte teelten kunnen nog niet uit zonder financiële ondersteuning. De markt zal zich verder moeten ontwikkelen. Oók die voor alternatieve verdienmodellen, zoals carbon credits.

Download de brochure hier >>

Hoever zijn we met het onderzoek naar natte gewassen?

Het telen van natte gewassen lukt goed; we zijn vooral bezig met optimaliseren. Zo onderzoeken we de beste manier om lisdodde in de grond te krijgen: planten is duur, zaaien is goedkoop maar moeilijker.

Het NOBV (Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden) doet metingen aan broeikasgasemissies. Dit moet precies duidelijk maken onder welke omstandigheden natte teelten de grootste klimaatwinst opleveren. De uitstoot van CO2 daalt bij een hogere grondwaterstand, maar de kans op de uitstoot van methaan (een heel sterk broeikasgas) neemt juist toe wanneer het erg nat wordt.

Dit jaar maken we voor lisdodde nog een LCA – een levenscyclusanalyse. Dit is een analyse van de broeikasgasuitstoot in de hele keten: van plant tot product (zoals isolatiemateriaal). Op deze manier kun je een eerlijke vergelijking maken met de klimaatimpact van gangbare producten.

Het VIPNL-onderzoek wordt mogelijk met één jaar verlengd. Dat betekent dat we in 2026 nog doorgaan met meten.

Dit is het nieuwe gezicht in jouw regio

VIPNL test innovaties in verschillende proeftuinen of regio’s. Elke proeftuin heeft een proeftuintrekker, die vragen oppakt en de juiste mensen verbindt. We stellen graag de nieuwe proeftuintrekkers van Overijssel, Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland aan je voor.

Suzanne Harink (links op de foto) – bestuurssecretaris & senior projectmanager Stimuland, samen met Lotte Kist (rechts) proeftuintrekker Overijssel

 

“Huh? Is er ook veenweide in Overijssel dan? Die vraag horen we vaak. Ja, er is zeker veenweide in Overijssel, en die zorgt ook voor genoeg uitdagingen in onze regio. Het is aan ons om Overijssel landelijk meer op de kaart te zetten. Maar ook in Overijssel zelf mag het veenweidevraagstuk nog beter op de agenda. Er is veel aandacht voor de droogteproblematiek van de zandgronden maar hé, let op: veenweide hebben we ook nog!

Daarbij vind ik het vooral belangrijk dat boeren zich gehoord voelen. Mijn collega Lotte en ik willen in het gebied veel ons gezicht laten zien. Alleen je telefoonnummer op de website zetten is niet genoeg. Ik wil benaderbaar zijn en mensen enthousiasmeren. De crux: weten wanneer het voor boeren interessant wordt. Veel agrariërs zijn erg verknocht aan hun gebied, maar het is niet alleen liefhebberij: ze hebben een bedrijf te runnen. Ik vind het belangrijk dat je transparant naar elkaar bent en begrip voor elkaar hebt. Als proeftuintrekker moet ik weten: wanneer werkt het voor jullie boeren wel en wanneer niet? Dan kan ik ook eerlijk zijn wat ik vanuit mijn rol kan betekenen.”

 

Martine Bijman – senior projectleider bij Water, Land & Dijken, proeftuintrekker Noord-Holland

“De veenweidegebieden van Noord-Holland zijn ingesloten door steden. Er komen veel fietsers voorbij die van alles in de media horen. Het is heel mooi als je dan als boer kunt zeggen: ik heb een waterinfiltratiesysteem en draag zo bij aan het klimaat. Boeren zien echt wel dat ze een slag moeten maken. Ze zijn geworteld op de plek waar hun familie soms al generaties woont. En daar willen ze blijven. Als boer, want dat is wat ze het liefste doen.

Met het Loket Veenweideboeren ontzorgen we boeren daarbij. Wij kijken: welke maatregelen kun je nemen, wat betekenen die voor de bedrijfsvoering en wat past bij jou? Daarna helpen we ook bij de vergunningaanvraag en de financiering. Vanuit dit loket kan ik mijn rol als proeftuintrekker ook goed oppakken. Is er een locatie voor greppelinfiltratie nodig? Die heb ik! En andersom zien wij dingen die niet goed werken in de praktijk. Bijvoorbeeld: is er een mogelijkheid te onderzoeken hoe we klei meer puinvrij kunnen maken? Binnen VIPNL kunnen we al die ervaringen delen. Zo hoeft niemand opnieuw het wiel uit te vinden.”

Foto Martine: Bert Hartman, FIeR door Hartman

 

Matthijs Boeschoten – programmaleider innovatie bij Wij.land, proeftuintrekker Utrecht

“Als kennismakelaar heeft Wij.land een belangrijke brugfunctie tussen kennis en praktijk. Hoe inspireer je boeren en vertaal je resultaten uit onderzoek naar het boerenerf? Maar de brugfunctie werkt ook andersom: want wij zien heel veel boeren met allerlei goede ideeën. Dan zetten we een pilot op en gaan we het gewoon doen. Vanuit onze ervaring aan de keukentafel denk ik dat wij ook weer nieuwe projecten voor VIPNL kunnen aandragen. Zo hebben we nu een boer die een voedselmoeras heeft aangelegd: hartstikke interessant, maar daar kan ook nog wel wat aan onderzocht en gerekend worden. VIPNL en Wij.land vullen elkaar daar mooi aan.

Ik vind innoveren met boeren hartstikke leuk. Dit zijn echte voorlopers: er is veel inventiviteit, een goede, positieve energie en het zijn gewoon leuke types. Ik ben heel benieuwd welke maatregelen de komende jaren binnen VIPNL praktijkrijp komen. Het is belangrijk dat maatregelen niet te veel risico hebben, duurzaam zijn – dus lang worden erkend – en passen in de boerenpraktijk. Als dat lukt, dan is er onder boeren zeker bereidheid om aan de slag te gaan.”

 

Wim Honkoop – adviseur en projectleider PPP Agro Advies, proeftuintrekker Zuid-Holland

“Innovatie in de landbouw is voor velen een vies woord geworden, mede dankzij de emissiearme stallen. Beloofde resultaten worden vaak niet gehaald. Waarom? Omdat de emissiereductie is vastgesteld in een onderzoekscontext. Reductie is echt mogelijk, maar dan moet je het systeem ook goed bijhouden in de praktijk. Ik snap dat mensen kritisch zijn, maar boeren krijgen de schuld als de beloofde resultaten niet gehaald worden, dat is te kort door de bocht. Niemand heeft nagedacht over vragen als: wie gaat het onderhoud doen en betalen? En hoe borgen we dat boeren er juist mee werken?

Beleidsmakers maken zich heel weinig zorgen over die praktijk merk ik, die missen een belangrijk stukje praktijkkennis. Ondertussen zetten ze wel de beloofde reductie in de boeken als resultaat. Hoe gaan we ervoor zorgen dat we met bijvoorbeeld waterinfiltratiesystemen wél de beloofde resultaten gaan halen? Door te kijken of we het simpeler kunnen maken. Onderhoud en beheer beter kunnen borgen. En goed beleid daarop kunnen adviseren. Daar wil ik als proeftuintrekker mee aan de slag. Ik hou van de boeren en ik hou van de natuur. Ik vind het vreselijk dat die zo’n tegenstelling zijn geworden. Dat is wat me drijft.”

Neem hier contact op met een proeftuintrekker in jouw regio.

Proeftuintrekker Riek van der Harst met pensioen

Riek van der Harst, VIPNL-proeftuintrekker Overijssel, gaat met pensioen. Een verbinder in hart en nieren die we zeker zullen missen. We blikken nog even met haar terug.

Wat heb je geleerd van twee jaar VIPNL-proeftuin?

“Wat mij in het begin opviel: dat bijna niemand iets wist over de veenweidegebieden van Overijssel. De veenweidewereld was erg op het westen georiënteerd. Voor mij was het ook allemaal nieuw. Ik heb veel over veenweide geleerd. Wat dan vooral blijft hangen: we weten heel veel, en we weten ook niks. De verschillen tussen plekken zijn heel groot: wat op de ene plek werkt, hoeft op de andere niet te werken. Vorig jaar heeft de provincie Overijssel een uitgebreide en gedegen analyse uitgevoerd. Tegen de eerste groep boeren die aan de slag wilde, konden we zeggen: overlagen, dat heeft hier geen zin, want er ligt al een laagje klei over het veen. Je moet dus, los van de theorie, elke keer in de praktijk blijven kijken wat zinvol en passend is.”

Wat vond je het leukste aan je rol als proeftuintrekker?

“Toen we begonnen was het voor ons proeftuintrekkers echt zoeken naar onze rol. Daar heb ik heel erg van genoten. Uiteindelijk zijn we vooral bezig om partijen bij elkaar te brengen. Ik ben een verbinder, dus dat vond ik hartstikke leuk om te doen. Het was ook best een uitdaging, want mensen wisselen veel van plek. Het zit allemaal in m’n hoofd, een heel netwerk. Gelukkig ben ik samen opgetrokken met mijn collega Lotte, zodat niet alle kennis meteen weg is. En mijn opvolger mag me altijd bellen. Tegelijk zal zij weer een eigen netwerk opbouwen. Veel was afgelopen jaren opgehangen aan het PPLG (het Provinciaal Programma Landelijk Gebied, dat is komen te vervallen), dat wordt nu weer een nieuwe zoektocht.”

Wat ga je missen?

“Ik was vaak helemaal niet bij de inhoud betrokken, maar legde de lijntjes waardoor uiteindelijk een proefveld kon worden aangelegd. Ik zie het als een rugzakje, en daaruit komen allerlei dingen naar boven die anderen verder kunnen helpen. Dat vind ik heel erg leuk.”

 

Riek geeft het stokje over aan Suzanne Harink. Neem hier contact op met de proeftuintrekker uit jouw regio.

VIPNL en NOBV brengen samen klimaatwinst in kaart

Welke maatregel kan ik als beleidsmaker op locatie A stimuleren voor de meeste klimaatwinst? Gaan we met deze maatregelen de klimaatafspraken voor het veenweidegebied halen? Complexe vragen die nog niet goed te beantwoorden zijn. Nóg niet. VIPNL en het NOBV trekken al jaren samen op en gaan dat steeds intensiever doen. Ze combineren innovatie aan praktische maatregelen met wetenschappelijk en toegepast onderzoek naar broeikasgassen. Het doel: steeds beter begrijpen hoe broeikasgassen ontstaan. Daardoor kunnen ze ook steeds beter de emissies onder bepaalde omstandigheden voorspellen.

In het Klimaatakkoord (2019) is afgesproken dat veenweidegebieden jaarlijks vanaf 2030 1 Mton minder CO2-equivalenten uitstoten. Daarvoor zijn een aantal vragen relevant. Welke maatregelen helpen die uitstoot te verlagen? En hoe hoog is de uitstoot nu?

Het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) en VIPNL willen samen een antwoord vinden op deze vragen. VIPNL kijkt daarbij vooral naar de praktische kant van maatregelen: hoe krijgen we ze werkend in het veld, kunnen grondgebruikers ermee uit de voeten en kan het economisch uit? Maar ook: zijn er bijeffecten voor biodiversiteit en waterkwaliteit en hoeveel water vraagt een maatregel? Hoe is de maatschappelijke acceptatie?

Het NOBV (opgericht in 2019) doet wetenschappelijk onderzoek naar het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. Specialistisch werk. Pas met een gedegen onderbouwing kunnen beleidsmakers de resultaten gebruiken bij de keuzes die ze maken: op welke manier kunnen we de uitstoot in veenweiden terug gaan dringen? Daarnaast vormen deze cijfers een belangrijke onderbouwing of afgesproken doelen gehaald worden.

Het moet wel werken in de praktijk

Sinds de start van VIPNL in 2022 denken beide partijen samen na over het inrichten van VIPNL-onderzoek. Dat is niet voor niets, want het blijkt schipperen tussen de klimaatopgave (broeikasgassen) en de praktijk, legt Roel van Gerwen, programmacoördinator van VIPNL, uit. “Als VIPNL zijn we met name aan het innoveren. Net zo lang proberen tot we denken: zo werkt het optimaal in de praktijk, voor verschillende factoren. Optimaal is dan niet per se optimaal voor broeikasgasuitstoot.”

Pui Mee Chan, programmamanager NOBV, vult aan. “Wij kijken met een wetenschappelijke bril juist wél wat het beste is tegen die broeikasgasuitstoot. We zeggen dan bijvoorbeeld: we denken dat voor emissiereductie de greppels bij greppelinfiltratie dichter bij elkaar zouden moeten liggen. En dan zegt Roel: er is geen boer die zo wil werken.”

Van Gerwen: “En als een gebruiker er niet mee uit de voeten kan, dan heb je er niets aan.”

Wat gebeurt er? En waaróm gebeurt het?

Uiteindelijk is het terugdringen van die broeikasgasuitstoot (CO2, maar ook methaan en lachgas) natuurlijk wel het doel. Het ontrafelen van de waaromvraag speelt daarom een essentiële rol. Wat gebeurt er in de bodem, waardoor op de ene plek meer of minder van een broeikasgas vrijkomt?

Door te begrijpen wat er gebeurt, kun je uiteindelijk ook uitspraken doen over plekken waar je niet gemeten hebt. Pui Mee Chan: “We kunnen niet overal meten: er is 200 duizend hectare veenweidegebied. Daarom heeft het NOBV een model ontwikkeld, SOMERS*, om op basis van metingen en rekenregels te berekenen wat de verwachte uitstoot in een bepaald gebied is. We kijken in onze onderzoeken welk effect vernatting heeft op de processen in de bodem. Daarom meten we niet alleen de uitstoot van broeikasgassen, maar ook parameters als temperatuur en pH. Zo proberen we verbanden te leggen.”

Een NOBV-meetlocatie in Vlist. Bron foto: NOBV.

Meer meten voor meer betrouwbaarheid

Daarbij geldt: hoe meer meetpunten, hoe kleiner de onzekerheid van SOMERS. En precies dat gaan het NOBV en VIPNL samen doen: meer meten, bij meer verschillende maatregelen. Daarvoor hebben ze in ieder geval tot en met 2027 de tijd. Ondertussen denken Chan en Van Gerwen ook alvast na over een vervolg. Zodat, als beide programma’s stoppen, de opgedane kennis behouden blijft en verder ontwikkeld wordt. En beleidsmakers straks wetenschappelijk onderbouwd kunnen zeggen: op deze locatie hebben deze maatregelen het meeste effect.

*Subsurface Organic Matter Emission Registration System

Afbeeldingen: NOBV

Webinar: Natte teelten in het veenweidegebied, kansen en uitdagingen

Op 10 maart organiseert VIPNL  een webinar over kansen en uitdagingen van natte teelten in het veenweidegebied. 

Water- en bodemcondities

De ontwikkeling van natte teelten is volop gaande. In dit tweede webinar over natte teelten zoomen we in op welke teelten waar het meest tot zijn recht komen. Welke water- en bodemcondities zijn belangrijk voor een goede oogst?

Verdiensten (in brede zin)

Naast productie van grondstoffen kunnen natte teelten ook andere diensten leveren. Wat zijn die diensten, en in welke mate kunnen die diensten worden geleverd? Is er met productie van grondstoffen een aantrekkelijk verdienmodel mogelijk en wat kunnen andere aanvullende diensten daarin betekenen? En als natte teelten ingezet worden in gebiedsopgaven, hoe werkt dat ruimtelijk uit? En wat zijn dan de verdiensten van natte teelten in de ruime zin van het woord?

Programma

  • VIPNL programmacoördinator Roel van Gerwen gaat in gesprek met Arnoud de Vries (thematrekker VIPNL natte teelten) over de stand van zaken van onderzoek naar natte teelten;
  • Onderzoekers Christian Fritz en Jeroen Geurts laten zien wat de optimale bodem- en watercondities zijn voor diverse natte teelten;
  • Gertjan van Duinen laat zien wat natte teelten kunnen betekenen voor biodiversiteit, en wat de waarde daarvan is;
  • Opbrengsten van ecosysteemdiensten door natte teelten op het gebied van waterzuivering, waterkwantiteit en broeikasgasreductie worden inzichtelijk gemaakt, en met de ontwikkelde rekentool voor natte teelten worden saldo-effecten in beeld gebracht;
  • Een casus naar de ruimtelijke inpassing van natte teelten geeft inzicht in de bijdrage aan gebiedsopgaven.

Uiteraard is er volop de ruimte om vragen te stellen.

Praktische info

  • Wanneer? Maandag 10 maart, 13:00 – 14:30 uur
  • Waar? Het webinar vindt plaats online via Teams.
  • Aanmelden kan tot uiterlijk 4 maart via het aanmeldformulier. Na aanmelding krijgt u per e-mail de link toegestuurd waarmee u kunt deelnemen.

Graag tot ziens op 10 maart!

Video: veenmosteelt

Veenmos kan een alternatief gewas zijn voor veenweidegebieden. Het legt heel veel CO2 vast, gaat bodemdaling tegen, en kan alternatief zijn voor de potgrondindustrie. VIPNL doet onderzoek naar veenmos als duurzame vorm van landgebruik in veenweidegebieden.

We varen mee met Willem Stuulen (thematrekker Veenmosteelt) en boswachter Bas Rijs. We zien hoe het veenmos in de VIPNL-proef afgelopen jaar gegroeid is. En varen een stukje toekomst tegemoet: zó ziet veenmos eruit als het tientallen jaren zijn gang kan gaan.

Terugblik Nationaal Congres Bodemdaling

Op 21 november waren VIPNL en het NOBV* gezamenlijk vertegenwoordigd op het Nationaal Congres Bodemdaling met een kraam met informatie en een gemeenschappelijk georganiseerde inhoudelijke sessie. Tijdens de sessie gaven we een update over het onderzoek naar natte teelten, klei in veen en boeren op hoog water. Er was veel belangstelling en we hebben interessante contacten gelegd.

Netwerkevenement

Het Nationaal Congres Bodemdaling is een belangrijk netwerkevenement voor bestuurders, ambtenaren en onderzoekers. Dat biedt altijd kansen voor nuttige samenwerkingen. Zo ontmoetten we onderzoekers van Living on Soft Soils, een NWA-onderzoeksprogramma dat baat kan hebben bij de praktijkkennis die wij opdoen.

Kansen voor agrarisch onderwijs

Het agrarisch onderwijs is op dit moment niet gericht op boeren specifiek op veen. De opleidingen beginnen hier wel meer over na te denken. VIPNL zou hierbij mogelijk een rol kunnen spelen, omdat onze proeflocaties zich goed lenen voor praktijkonderwijs.

Praktijk en wetenschap lopen soms uit elkaar

Sommige maatregelen tegen bodemdaling en broeikasgasemissies staan al goed in de belangstelling. Een voorbeeld is klei in veen. Boeren willen al graag met deze maatregel aan de gang. Dat levert een spanningsveld op, omdat nog onvoldoende duidelijk is of en onder welke omstandigheden de maatregel werkt. Dit vraagt om het managen van verwachtingen. We hebben hierover van gedachten gewisseld met beleidsmakers.

* Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden