Terugblik symposium Boeren op Hoog Water: van onderzoek naar debat
Midden in het Groene Hart, tussen boerderijdieren en strobalen, vindt op 6 november het symposium plaats van onderzoeksprogramma Boeren op Hoog Water (2020–2024). Ongeveer honderd deelnemers komen samen bij de Boerinn. Overheden, onderzoeksinstellingen, melkveehouderijen, boeren- en natuurorganisaties: alle zijn vertegenwoordigd. Dagvoorzitter Dick Veerman heet iedereen welkom.
Onderzoek voedt debat
Wim Honkoop neemt het publiek mee in het ontstaan van het programma. Boeren op Hoog Water begon in 2020 op proefboerderij KTC Zegveld, waar melkveebedrijven op een hoge streefgrondwaterstand (20 cm onder maaiveld) worden vergeleken met een traditionele melkveehouderij op een reguliere ontwatering (slootpeil 40–50 cm onder maaiveld).
Wim vat het onderzoek samen in twee kernvragen:
“Levert boeren op hoog water minder broeikasgassen op en wat betekent dat bedrijfseconomisch voor de melkveehouderij?”
Het doel: het maatschappelijke en beleidsmatige debat voeden. Hij benadrukt dat het programma ook in 2025 en 2026 doorgaat.

’s Middags volgt een toelichting in het veld over waterinfiltratie binnen Boeren op Hoog Water.
Eerste themaronde: water, bodem & gras, biodiversiteit
Dan presenteren de onderzoekers een aantal thema’s uit het onderzoeksprogramma. Idse Hoving (WUR) legt uit dat een hoge grondwaterstand alleen haalbaar is met een hoger slootpeil én een actief waterinfiltratiesysteem (AWIS). AWIS werkt, maar vraagt de nodige aandacht voor aanleg, beheer en onderhoud.
Nyncke Hoekstra (Louis Bolk Instituut) vertelt dat de lagere draagkracht van de bodem bij hoog water nauwelijks problemen gaf. De uitzondering is het zeer natte 2024, toen koeien in het voorjaar niet naar buiten konden. De grasproductie en -kwaliteit waren gemiddeld iets lager bij hoogwater. De graskwaliteit viel echter tegen in 2024 vanwege de late eerste snede in verband met slechte draagkracht.
Monique Bestman (Louis Bolk Instituut) ziet tot nu toe beperkte verschillen tussen hoog- en laagwaterbedrijven qua biodiversiteit. Onder de grond zijn bij hoogwater meer bacteriën aangetroffen, maar nauwelijks verschillen in schimmels, nematoden of regenwormen. Mogelijk worden effecten pas op langere termijn zichtbaar. Boven de grond zijn iets meer plantensoorten waar te nemen bij hoog water, maar niet dusdanig dat er sprake is van meer biodiversiteit.
Veel vragen en reacties uit de zaal
Tijdens de vragenronde steken meerdere boeren hun hand op. De een heeft een technische vraag over de detailontwatering, de ander vraagt of er onderzoek is gedaan naar het vasthouden van vocht met een betere grasmat, en weer een ander wijst op het probleem van natte plekken in het grasland.
De onderzoekers discussiëren over hoe representatief Boeren op Hoog Water is voor het veenweidegebied. Ze zijn het erover eens dat de resultaten niet direct op het hele gebied van toepassing zijn. Aan de andere kant is er reden voor optimisme, omdat het onderzoeksprogramma op een moeilijke locatie is uitgevoerd. “In grote delen van het veenweidegebied ligt een kleidek op het veen”, zegt Idse. “Dat maakt het makkelijker om de veenafbraak te beperken.”
Tweede themaronde: dier, broeikasgassen, economie
Na de pauze volgen presentaties van Monique Bestman, Daniël van de Craats (NOBV), Jeroen Pijlman (Louis Bolk Instituut) en Pieter Willem Blokland (WUR).
Monique vertelt over de risico’s van een hoge grondwaterstand voor de gezondheid van de koeien. Die lijken mee te vallen. Wel bleken problemen met klauwgezondheid iets vaker voor te komen bij de Holstein-Friesians op hoog water – maar dat kan een vertekend beeld zijn vanwege de kleine groepsgrootte.
Daniël van de Craats laat namens het NOBV zien dat de uitstoot van CO2 het hoogst is op het referentieperceel (laag water) en het laagst bij hoogwater. Ook laat hij zien dat de spreiding in CO2-uitstoot kleiner was bij de hogere grondwaterstand dan bij de ongestuurde grondwaterstand op het referentieperceel. De resultaten van de metingen zijn vergelijkbaar met die van andere meetlocaties in het land.
Jeroen Pijlman zegt dat melkproducties tussen hoog- en laagwaterkoeien vergelijkbaar zijn, maar dat extra voeraankoop van buiten het bedrijf nodig is om de lagere grasproductie te compenseren en conditie van hoogwaterkoeien op peil te houden. De productie van dat voer veroorzaakt buiten het bedrijf extra emissies. Netto leidt hoogwater echter tot 16% minder uitstoot per hectare én per kilo meetmelk voor het bedrijf met Holstein-koeien. Op het bedrijf met Jersey-koeien op hoogwater waren de effecten vergelijkbaar.
Pieter Willem schetst het financiële plaatje: zonder AWIS-investeringen is het verschil €147 per koe, met AWIS loopt dit op tot €440 per koe. Hij ziet kansen voor nieuwe verdienmodellen om deze kosten te compenseren.
Verdiepende vragen over koeienrassen, emissies en arbeid
Er komen veel inhoudelijke vragen uit het publiek. Waarom is gekozen voor Jerseys? Jeroen legt uit dat ze lichter zijn en mogelijk beter met ruwvoer omgaan, maar dat op het bedrijf met Jerseys verschillen in mineralenbenutting en broeikasgasemissies uiteindelijk klein bleken.
Daniël beantwoordt een vraag over andere broeikasgassen: methaan is laag op de proefboerderij, maar het landelijke beeld varieert. Er wordt de komende jaren meer onderzoek gedaan naar methaanuitstoot. De metingen naar lachgas lopen ook nog, de resultaten daarvan zijn nog niet definitief.
Een belangrijk discussiepunt: de extra arbeid die hoogwater vraagt. Honkoop en Idse schatten dat dit neerkomt op een halve dag extra per week in het groeiseizoen. Om meer zicht te krijgen op de extra arbeidsinspanning van de boer, is aanvullend onderzoek nodig.
Plenaire discussie: de kansen en risico’s van boeren op hoog water
De dagvoorzitter nodigt Nick van Eekeren (wetenschap), Kees Vroege (agrariër), Douwe Jonkers (LVVN), Jaap Gielen (provincie Fryslân) en Niek Bosma (Wetterskip Fryslân) uit op het podium.
Zij gaan met elkaar in discussie over twee centrale vragen:
- Welke kansen en welke bedreigingen komen uit de resultaten naar voren?
- Wat is er nodig om de kansen te verzilveren?

Panelleden gaan in discussie.
Nick ziet als belangrijkste kans dat koeien kunnen worden gehouden bij 20 cm onder maaiveld. Als risico’s noemt hij extreme jaren zoals 2024 en de extra arbeidslast. Niek: “Om dit systeem te laten werken, moet een boer veel kunnen. Het vraagt om extra werk in het land, zoals het onderhouden van AWIS.”
Een melkveehouder uit Vlist wijst erop dat AWIS meer onderhoud vraagt dan andere systemen: volgens hem wordt dit te rooskleurig voorgesteld. Niek en Jaap benadrukken dat financiële compensatie nodig is om boeren op hoog water mogelijk te maken. Volgens Jaap zijn de onderzoeksresultaten niet direct toepasbaar op Friesland, omdat de grondwaterstand daar een stuk lager is.
Boer Kees Vroege voelt zich door het onderzoek geconfronteerd. “De extra arbeid hakt erin. Als boer kun je extreem natte jaren op hoogwater niet hebben.” Hij ziet meer in een passief WIS, mits voldoende drooglegging.
Douwe Jonkers van ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur rondt de discussie af. In feite wil de overheid de melkveehouderij overeind houden, maar daarvoor worden aanpassingen van melkveehouders gevraagd. De kernvraag volgens hem: “Wat is redelijk om te vragen?” Het ministerie denkt aan een bandbreedte tussen 40 en 20 cm onder maaiveld en wil de inzichten uit BoHW opnemen in de Waterwijzer Landbouw voor passende compensatie.
Onderzoek gaat door
Tijdens het symposium zijn veel inzichten gedeeld en vragen gesteld. De conclusie? Boeren op hoog water is technisch mogelijk, maar vraagt verder onderzoek. Dat betekent: blijven meten, de financiële kaders uitwerken en de extra arbeid in beeld brengen. Na applaus bedankt Martijn de aanwezigen, die hij uitnodigt voor de lunch. Voor een deel van de aanwezigen gaat het programma daarna nog door: zij gaan met de bus naar Zegveld om de Hoogwaterboerderij met eigen ogen te zien. En om vragen te stellen, want die zijn er genoeg.
Foto’s: Sylvana de Bruin





