Wat laat onderzoek zien over Dynamisch Draadloos Weiden in veenweidegebieden?

Het rapport beschrijft onderzoek naar de inzet van draadloze afrastering (virtual fence) op twee melkveebedrijven in het veenweidegebied, uitgevoerd in 2025 in het kader van project Dynamisch Draadloos Weiden.

Op het ene bedrijf werden eerst uitrasteringsafstanden van 0, 1, 2, 3 en 4 meter vanaf de waterlijn vergeleken. Daarna werd de slootkant op 3 meter afstand uitgerasterd, met open drinkplaatsen van 2, 4, 8 en 12 meter breed. De resultaten laten zien dat het gebruik van de slootkant afnam naarmate de draadloze afrastering verder van de waterlijn werd geplaatst. Bij 2 meter was al sprake van een duidelijke afname in het aantal locaties in de slootkantzone, terwijl bij 3 en vooral 4 meter de zekerheid van uitsluiting verder toenam. Dit bleek uit de locatiedata, de mate van vertrapping, het aantal mestflatten en de visuele beoordeling van de slootkant na beweiding. Tegelijkertijd bleek dat ook bij 4 meter nog incidenteel gebruik van de slootkant voorkwam. De resultaten laten daarmee zien dat draadloze afrastering goed kan worden gebruikt om het gebruik van slootkanten sterk te verminderen, maar dat volledige uitsluiting niet vanzelfsprekend is en afhangt van de gewenste mate van zekerheid. De proeven met drinkplaatsen lieten zien dat een drinkplaats van 12 meter breed onder de onderzochte omstandigheden het duidelijkst door koeien werd gebruikt. Vanwege de ermee gepaard gaande vertrapping is het advies om bij bescherming van slootkanten als hoofddoelstelling, drinkwater aan te bieden via bijvoorbeeld een drinkbak.

Op het andere bedrijf stond de bescherming van greppels als natte, vertrappingsgevoelige delen van het perceel centraal. Daar werd telkens de helft van een greppel uitgerasterd met een breedte van 3 meter aan beide zijden. In de zones dicht langs de greppel werd minder gras weggegeten en minder vertrapping waargenomen wanneer de greppel was uitgerasterd. Op basis van de locatiedata was het koeverkeer in de zones rondom de uitgerasterde greppels gemiddeld 93% lager dan in de niet-uitgerasterde delen. Volledige uitsluiting werd echter niet bereikt. Vooral op de kopakker bleken koeien geneigd om over te steken, waarschijnlijk omdat een greppel voor koeien minder als een duidelijke grens functioneert dan een sloot en omdat zij daar gewend zijn te passeren. Op dit bedrijf is ook gekeken naar diergedrag en dierenwelzijn. Er werden geen eenduidig verklaarbare relaties gevonden tussen dierkenmerken (aantal lactaties, plek in de rangorde, positie in de loopvolgorde ’s morgens naar de wei) en interactie met de draadloze afrastering, mogelijk door de kleine groepsgrootte, namelijk 20 dieren. Het cortisolgehalte in melk was significant hoger één week na de training en in de periode met het afsluiten van de slootkant dan in de andere periodes. Het cortisolgehalte was echter niet gerelateerd aan het aantal geluidssignalen of schokken dat een dier ontving. Op de eerste twee dagen van de training was het aantal ontvangen schokken het hoogst van de hele onderzoeksperiode, maar het cortisolgehalte was hetzelfde als een week vòòr de training. Daarmee past deze proef in het beeld uit eerder onderzoek: er zijn geen aanwijzingen dat de toepassing van draadloze afrastering onder deze omstandigheden nadelig was voor dierenwelzijn.

Draadloze afrastering is bruikbaar om biodiversiteitsdoelen en het beperken van vertrapping te ondersteunen, vooral voor het beschermen van slootkanten. Tegelijkertijd wordt toepassing gevoeliger naarmate de inrichting complexer wordt. Juist daar ligt waarschijnlijk ook de grootste meerwaarde van draadloze afrastering, maar daarvoor zijn verdere ontwikkeling van de software, betere ontwerprichtlijnen en aanvullende praktijkervaring nodig.

Meer weten? Bekijk het volledige rapport: LBI-rapport onderzoek virtual fence, biodiversiteit, vertrapping en dierenwelzijn

Nieuw thema Weide en Water

Wat betekent vernatten voor de landbouwpraktijk?

Vernatten heeft gevolgen voor de uitstoot van broeikasgassen maar natuurlijk ook voor de bedrijfsvoering van melkveehouders. In het nieuwe thema Weide en Water wil VIPNL graag in kaart gaan  brengen hoe draagkracht van de bodem en grasgroei veranderen als de grondwaterstand omhoog gaat. Betere kennis van deze processen kan uiteindelijk ook de berekeningen voor compensatie nauwkeuriger maken.

We willen graag beter begrijpen wat het effect is van het verhogen van de grondwaterstand: hoe werkt dat door in bodemvocht en in draagkracht van de bodem? En hoe verandert de grasgroei? Deze vragen zijn niet nieuw. Deze veranderingen worden al gedeeltelijk sinds 2020 gemeten op de hoogwaterboerderij in Zegveld. Maar we weten ook dat de resultaten anders zijn bij verschillende veenbodems. Daarom gaan we dat onderzoek nu uitbreiden naar andere locaties om de processen in verschillende veenbodems veel beter te begrijpen.

Verschillen tussen locaties in beeld

Afgelopen zomer hebben we acht verschillende locaties door heel het veenweidegebied van Nederland geselecteerd. De graslandpercelen op deze melkveebedrijven liggen op verschillende veentypes en op alle bedrijven wordt beweiding toegepast, zodat we ook het verschil tussen maaien en weiden mee kunnen nemen. Op elk van die locaties meten we op een perceel met een relatief hoge en een lage grondwaterstand.

Op alle verschillende locaties verwachten we een andere dynamiek in de bodem. We willen graag begrijpen wat dat betekent voor de draagkracht en de grasgroei.

Veranderingen door het seizoen heen

Het voor- en najaar zijn belangrijke momenten om te meten. In het najaar willen we graag weten wanneer de bodem te nat wordt, in het voorjaar wanneer het droog genoeg is voor een boer om aan het werk te gaan. We hebben twee typen metingen: de seizoensmetingen en de detailmetingen. De seizoensmetingen vinden in het voorjaar en najaar plaats om de twee weken. Dat is nodig om beter in beeld te krijgen hoe factoren, zoals weer, de bodem beïnvloeden. Onderzoeker Nyncke Hoekstra (Louis Bolk Instituut): “Op het moment dat het gaat regenen, wordt de bodem natter. Maar hoe lang duurt het dan voordat de draagkracht ook achteruitgaat? Als je uit een droge periode komt, dan kan de grond best nat zijn terwijl de draagkracht eigenlijk nog best goed blijft. Dat is heel anders in het voorjaar, als de grond al helemaal slap is. Bij eenzelfde bodemvochtgehalte kan de draagkracht dus verschillen. Daarom is het heel belangrijk om in verschillende seizoenen en onder verschillende weersomstandigheden inzicht te krijgen in de verbanden.”

De detailmetingen zijn gericht op precies het overgangsmoment van ‘voldoende naar onvoldoende draagkracht’ en visa versa in het voorjaar. Dat moment treedt vaak op in een tijdsbestek van enkele dagen. Met deze metingen willen we precies begrijpen welke factoren van invloed zijn op de draagkracht.

De werkelijke gevolgen voor de boer

De onderzoekers willen ook graag weten hoe boeren omgaan met de veranderingen in draagkracht. Gaan ze hun koeien minder weiden? Gebruiken ze een lichtere machine, of kan dat helemaal niet omdat de loonwerker die niet beschikbaar heeft? Die informatie wordt bij boeren en loonwerkers opgehaald.

Dit is relevant om te begrijpen tot welke schade vernattingsmaatregelen leiden. Uiteindelijk wordt alle informatie gebruikt om compensatiemodellen beter en locatiespecifieker te maken. Beleidsmakers kunnen boeren dan veel eerlijker compenseren voor het uitvoeren van vernattingsmaatregelen.

 

Meer informatie leest u in de Themasheet Weide en Water.

Van lisdodde tot isolatiemateriaal: de resultaten van zes jaar natte teelt

Bij Waterschap Amstel, Gooi en Vecht hebben we de afgelopen zes jaar samen met een boer en de provincie Noord-Holland ervaring opgedaan met natte landbouw — een veelbelovende manier om bodemdaling en CO₂-uitstoot te beperken, terwijl boeren werken aan een nieuw verdienmodel.

In de pilot “Natte teelt bij de boer” teelden we op 0,7-hectare onder andere lisdodde, riet en veenmos bij een verhoogd waterpeil.

Een paar opvallende resultaten:

  • We deden praktische ervaring op met het succesvol telen en oogsten van lisdodde en riet. Een gezonde bodem blijkt cruciaal, zaaien werkt goed en er zijn gespecialiseerde oogstmachines nodig.
  • De lisdodde-oogst leverde tot 26-ton vers gewicht per hectare op zonder mestgift— en bleek goed toepasbaar als duurzaam isolatiemateriaal, onder meer bij de toekomstige renovatie van een Waternet-gebouw.
  • We konden de watertoevoer verminderen. Er is nog steeds veel water nodig, maar dankzij het hogere peil trad geen bodemdaling op.
  • En: natte teelt loont voor biodiversiteit en het klimaat — met een netto besparing van ruim 14-ton CO₂-equivalent per hectare per jaar ten opzichte van naastgelegen grasland.

De pilot laat zien dat natte landbouw kansrijk is. Maar de economische opbrengst uit biomassa alleen is onvoldoende. Voor opschaling is een goed georganiseerde keten en een actieve rol van de overheid nodig, bijvoorbeeld via betalingen voor ecosysteemdiensten.

Meer weten? De volledige rapportage is nu openbaar na vaststelling door het bestuur: Pilot Natte teelt bij de boer
Bekijk hier de infographic.

Start nieuwe onderzoeken: vooruit met waterinfiltratie

Met waterinfiltratiesystemen kun je grondwaterstanden verhogen. Ze worden al veel toegepast in agrarisch grasland in het veenweidegebied, en met succes. Toch zijn er nog praktische vragen. Hoe kunnen we de levenscyclus van deze systemen verbeteren en op welke onderdelen precies? En zijn er nog andere interessante technieken om grondwaterstanden in veenweidegebieden te verhogen? We zijn daarom aan de slag gegaan met twee nieuwe VIPNL-thema’s: Revisit WIS en DIS.

Wat zijn waterinfiltratiesystemen?

Bij een waterinfiltratiesysteem (WIS) worden buizen op ongeveer 60-80 centimeter diepte in de grond gelegd, dat is circa 15-30 centimeter onder het slootpeil. Via deze buizen kan extra water in het perceel komen. Het voornaamste doel is om de grondwaterstand in de drogere zomerperiode te verhogen.

Sommige systemen werken passief: de buizen zijn aangesloten op de sloot en doordat ze onder het slootwaterpeil liggen stroomt water door het drukverschil het perceel in. Andere systemen werken actief: ze liggen ook onder het slootwaterpeil maar kunnen met een pomp actiever en meer water inlaten. Deze vragen wel weer meer onderhoud.

Wat is het nut van waterinfiltratiesystemen?

Door grond in veenweidegebieden in de droge tijden te vernatten, komt veen minder in contact met zuurstof. De veenoxidatie neemt af en daarmee de bodemdaling en de uitstoot van CO2. Het NOBV doet onderzoek naar de emissies bij verschillende maatregelen.

Waarom gaat VIPNL met waterinfiltratiesystemen aan de slag, ze werken toch al?

De gebruikte materialen kennen hun oorsprong als drainagetechniek: vooral om water af te voeren. De onder water gelegen waterinfiltratiesystemen worden in de Nederlandse veenweidegebieden inmiddels ook al jaren gebruikt om grondwaterstanden te verhogen. Uit een inventarisatieronde langs eerdere uitgevoerde WIS-projecten weten we dat diverse verbeteringen nodig en mogelijk zijn.

Onder het thema Revisit WIS nemen we het systeem daarom onder de loep. Welk materiaal kun je het beste gebruiken, kunnen we verstopping van de buizen voorkomen? Welke protocollen, subsidies en andere acties zijn nodig om het beheer en onderhoud te verbeteren? Dat praktijkgerichte onderzoek doen we samen met de agrarische gebruikers en andere betrokkenen, zoals drainagedeskundigen, waterschappen en aannemers. We willen na twee jaar een praktische gebruikersgids opleveren.

Meer informatie: Rienk Schaafsma of Wim Honkoop.

Waarom gaat VIPNL nog een tweede systeem onderzoeken?

In een tweede thema onderzoeken we druppelinfiltratie (DIS). Dit infiltratiesysteem wordt al langer toegepast in zandgebieden maar hiermee is nog nauwelijks ervaring in het veenweidegebied. Het ligt ondieper in de grond dan WIS. Dat kan mogelijk voordelen bieden: voor grasgroei in droge perioden en door een eenvoudige aanleg. We willen graag weten of DIS ook werkt om bodemdaling en broeikasgasuitstoot tegen te gaan.

We laten in overleg met het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) nu eerst een haalbaarheidsverkenning DIS (modelstudie) uitvoeren: wat kunnen we verwachten voor de grondwaterstanden, bodemvocht en de broeikasgasuitstoot? En onder welke dimensies qua diepte en afstand van de slangen? Bij hoopgevende resultaten van deze verkenning gaan we in dit onderzoek verdere praktijkproeven opzetten.

Meer informatie: Rienk Schaafsma of Youri Egas.

NOBV gaat meer onderzoek doen naar methaanemissies

Het Nationaal Onderzoeksprogramma Veenweiden (NOBV) doet sinds 2019 onderzoek naar de uitstoot van broeikasgassen in veenweidegebieden – inmiddels ook in intensieve samenwerking met VIPNL. Tot nog toe hadden veel van de onderzochte locaties een beperkte vernatting, waarin vooral de CO2-uitstoot verandert. Er werd al onderzoek gedaan naar situaties met sterke vernatting, zoals natte teelten en natuurontwikkeling, maar in de volgende fase van het onderzoek wordt dit verder uitgebreid. Want vernatten van veenbodems verlaagt misschien de veenafbraak en daarmee de uitstoot van CO2: de uitstoot van methaan en soms lachgas kan juist toenemen – en dit zijn twee hele sterke broeikasgassen. Maar wanneer en hoeveel precies?

VIPNL onderzoekt innovaties die de CO2-uitstoot uit veenweidegebieden terugdringen. Vernatten is daarbij een oplossingsrichting: wanneer je veenweidegebieden vernat, komt minder CO2 vrij, maar het beïnvloedt ook de emissies van methaan en lachgas. Het NOBV onderzoekt die emissies: hoeveel komt onder welke omstandigheden precies vrij?

Minder CO2, meer lachgas en methaan?

Ook bij natte teelten komt minder CO2 vrij door de natte omstandigheden in de bodem. Extra voordeel: ook de gewassen zelf leggen veel koolstof vast. Goed nieuws, zou je zeggen, maar er is een ‘maar’. Onder hele natte omstandigheden kan methaan (CH4) vrijkomen. Ook methaan is een broeikasgas, 27 keer sterker dan CO2. Je kunt met vernatten dus de uitstoot van CO2 verlagen. Maar komt er vervolgens veel methaan en lachgas vrij, dan is dat mogelijk alsnog slecht nieuws voor het klimaat. Het NOBV publiceerde eerder een wetenschappelijk artikel over methaanemissies bij verschillend landgebruik. De komende jaren doet het NOBV ook meer onderzoek naar de uitstoot van lachgas. Lachgas is 250 keer sterker dan CO2.

Meten onder natte en iets minder natte omstandigheden

Het NOBV gaat daarom de komende jaren meer onderzoek doen naar ook de uitstoot van methaan en lachgas: komt het vrij, hoeveel dan, en kun je er wat aan doen? De metingen gebeuren bij gewassen die van natte voeten houden, zoals riet en lisdodde. Daarnaast is de intentie om ook broeikasgasmetingen te gaan doen bij cranberry, dat juist goed groeit op iets drogere grond (een grondwaterstand van 20 centimeter onder maaiveld), maar op andere manieren voor lagere emissies kan zorgen. Tenslotte gaat het NOBV extra metingen doen aan het oppervlaktewater in veenweidegebieden: het vermoeden bestaat dat ook hier veel methaan vrijkomt.

Uitgebreid kijken om goede uitspraken te kunnen doen

De metingen gebeuren in het veld en in het lab. Daarbij worden ook andere parameters gemeten, zoals pH en bodemtemperatuur, om resultaten te kunnen verklaren. Die resultaten worden verwerkt in het model SOMERS, zodat ook voorspellingen kunnen worden gedaan voor gebieden waar niet wordt gemeten. Dit alles gebeurt in intensieve samenwerking met VIPNL, waarbij VIPNL ook kijkt naar broeikasgasuitstoot in de keten. VIPNL kijkt ook naar o.a. verdienmodellen en teeltmethoden. Zo krijgen we stap voor stap het plaatje compleet.

Waarom onderzoeken we dit ook alweer?

Om het veenweidegebied geschikt te maken voor de veehouderij, wordt het grondwaterpeil kunstmatig laag gehouden. Het veen dat in contact komt met zuurstof klinkt in. Dit zorgt voor bodemdaling en CO2-uitstoot. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2030 1 Mton minder CO2-equivalenten vrijkomt uit de veenweidegebieden. VIPNL doet onderzoek naar innovaties die de broeikasgasuitstoot in veenweidegebieden kunnen verlagen, met behoud van een verdienmodel voor boeren.

Foto: Joost Keuskamp

Start project CO2-verwaarding

VIPNL is gestart met een nieuw thema: CO2-verwaarding Natuur en Landbouw. Het is een initiatief van de gezamenlijke Natuur en Milieufederaties en richt zich op het beter verwaarden van CO2-reductie en -vastlegging in het Nederlandse veenweidegebied.

Waarom dit project?

Veenweidegebieden stoten door veenoxidatie grote hoeveelheden CO2 uit. Door onder andere het grondwaterpeil te verhogen, kan deze uitstoot sterk worden verminderd. Het idee van CO2-verwaarding is om deze reductie meetbaar te maken, te certificeren en te verhandelen via de vrijwillige koolstofmarkt. Hiermee ontstaat een extra inkomstenbron voor boeren en grondeigenaren die inzetten op duurzaam beheer.

Van pilot naar brede toepassing

Het project richt zich op het slechten van knelpunten die nu grootschalige toepassing van CO2-verwaarding belemmeren. Methodes om CO2 te verwaarden zijn erg specialistisch en daardoor voor veel grondeigenaren lastig toe te passen. De kosten voor monitoring zijn nog te hoog.

De focus ligt in dit thema op het ontwikkelen van een methode van CO2-verwaarding die past in het SOMERS-model*, in combinatie met slimmere en minder kostbare monitoring van de resultaten. Daarnaast zal het project zich richten op het aanbieden van kennis en informatie richting grondeigenaren en potentiële kopers van de certificaten. Ook werken we aansluiting bij Europese regelgeving rond CO2-verwaarding verder uit.

Met deze aanpak moet het eenvoudiger worden om projecten op te zetten, certificaten te verkrijgen en te verhandelen, en daadwerkelijk klimaatimpact te realiseren. Met als toekomstbeeld een boer die eenvoudig via een app kan zien hoeveel CO2 hij vastlegt, zijn plan indient, en binnen enkele dagen al weet welke opbrengsten dit kan genereren – financieel én ecologisch.

Samen bouwen aan toekomstbestendig veenweidebeheer

Door CO2-reductie in het veenweidegebied aantrekkelijker en eenvoudiger te maken, draagt het project bij aan de verduurzaming van landbouw en natuurbeheer én aan de nationale klimaatdoelen.

Provincie Fryslân en het kennis- en innovatieprogramma NL2120 zijn aangesloten als projectpartner. Daarnaast werken we nauw samen met vertegenwoordigers van Stichting Nationale Koolstofmarkt, Platform CO2 Neutraal, kennisinstellingen, landbouworganisaties en overheden.

Lees meer over dit thema in de themasheet.

*SOMERS is een model van het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden om de CO2-uitstoot te bepalen.

Vernatting verandert samenstelling bodemleven veenbodems

Hoe verandert het bodemleven door vernatting? Een relevante vraag, want het bodemleven is heel belangrijk voor het functioneren van het (landbouw)ecosysteem. Binnen het VIPNL-thema Boeren op Hoog Water namen we de proef op de som.

In de proef plaatsten we 40 veenkolommen gedurende 15 maanden onder gecontroleerde omstandigheden. Daarbij onderzochten we het effect van verschillende waterstanden (0 tot 60 cm onder maaiveld) en bemestingsniveaus (laag: 50 kg N/ha/jaar, hoog: 250 kg N/ha/jaar) op bacteriën, schimmels, nematoden en regenwormen.

Hoger water? Minder nematoden en regenwormen, meer bacteriën en schimmels

De resultaten laten zien dat bacteriën en schimmels toenemen bij hogere waterstanden, terwijl nematoden en regenwormen afnemen. Het grondwaterpeil had meer invloed op het bodemleven dan bemesting, hoewel bemesting bij hogere waterstanden wel een sterk negatief effect had. Bij volledige vernatting heeft bemesting een sterk negatief effect op nematoden en regenwormen, en daarmee op de stabiliteit van het bodemvoedselweb. De optimale balans in het bodemleven werd gevonden bij waterstanden van 40 tot 20 cm onder maaiveld.

We voeren nu veldstudies uit om te bevestigen of dergelijke veranderingen ook onder veldomstandigheden optreden.

Over Boeren op Hoog Water

VIPNL doet onderzoek naar de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van verschillende maatregelen in veenweidegebieden waaronder vernatting. Dit is één van de oplossingsrichtingen die we onderzoeken om bodemdaling en broeikasgasuitstoot te remmen. Immers: als veen niet meer in contact komt met zuurstof, zal het niet meer afbreken en komt er dus geen CO2 vrij. Wel kunnen onder zeer natte omstandigheden juist de methaanemissies toenemen.

Op de Hoogwaterboerderij van KTC Zegveld onderzoeken we wat een hoger grondwaterpeil van 20 centimeter beneden maaiveld betekent voor een melkveebedrijf. We kijken daarbij wat het effect is op het (economisch perspectief van het) bedrijf, op de waterkwaliteit en de biodiversiteit. Het NOBV onderzoekt wat het effect van een hoge grondwaterstand is op bodemdaling en broeikasgasuitstoot van zowel CO2 als methaan.

Lees in het artikel verder over de resultaten van deze proef.

Doen methaanemissies klimaatwinst natte teelten teniet?

Wie de CO2-uitstoot in veenweidegebieden omlaag wil brengen, brengt het waterpeil omhoog. Eenvoudig. Maar: worden de omstandigheden erg nat, zoals bij natte teelten, dan komt methaan vrij. Dit broeikasgas is 27 keer sterker dan CO2. Kunnen methaanemissies de klimaatwinst van natte teelten op vernatte veengrond tenietdoen?

Deze ogenschijnlijk simpele vraag heeft een nogal genuanceerd antwoord. Want hoewel methaanemissies een onderdeel zijn van de klimaatimpact van natte teelten, zijn er meer onderdelen. Wanneer op vernatte veengrond biomassa wordt geteeld voor gebruik in de bouw, verandert het landgebruik én de productie en het gebruik van bouwmaterialen. Al die veranderingen bij elkaar zijn van invloed op het totale klimaateffect. Denk bijvoorbeeld aan vermeden CO2-emissies uit veenafbraak door vernatting, vermeden emissies van de productie van niet-biobased bouwmaterialen, emissies die vrijkomen bij de oogst, verwerking en toepassing van de biomassa, of de meerjarige vastlegging van koolstof in biobased bouwmaterialen. Bovendien zijn er verschillen in methaanuitstoot tussen omstandigheden waarin natte teelten plaatsvinden.

VIPNL gaat levenscyclusanalyse updaten

Het klimaateffect van een landgebruiksverandering van melkveehouderij naar natte teelten kan worden ingeschat met een levenscyclusanalyse (LCA). In 2022 is een LCA opgesteld van lisdoddeteelt voor plaatmateriaal. Deze LCA laat zien wat de milieubelasting is van 1 hectare veenweidegebied met lisdodde die verwerkt wordt tot plaatmateriaal. Door dit te vergelijken met huidig landgebruik (melkvee) wordt duidelijk op waar veranderingen van broeikasgasemissies plaatsvinden bij een landgebruiksverandering. Binnen VIPNL gaan we deze LCA bijwerken met nieuwe inzichten en met verschillende teelt–productcombinaties.

Met behulp van een LCA zijn namelijk ook klimaateffectinschattingen te maken voor verschillende situaties. Bijvoorbeeld voor verschillende veenbodems of waterpeilen, of voor verschillende toepassingen van de biomassa zoals isolatiemateriaal of plaatmateriaal van lisdodde. Hoe beter broeikasgasemissies kunnen worden ingeschat voor een bepaalde situatie, hoe betrouwbaarder de LCA.

Onderzoek naar effect van peilfluctuaties op uitstoot

Het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) publiceerde onlangs een studie naar de methaanemissie bij verschillend landgebruik op veengrond, waaronder lisdoddeteelt. In die studie lagen gemeten methaanemissies bij lisdoddeteelt tussen 7 en 12 ton CO2-equivalent per ha per jaar en bleek dat de vegetatiesamenstelling, bodemtemperatuur en grondwaterstand deze emissies beïnvloeden (zie voor meer info NOBV). Om te weten of met maatregelen methaanemissies kunnen worden verlaagd, doet VIPNL in samenwerking met het NOBV onderzoek naar het effect van peilfluctuatie op broeikasgasemissies bij lisdodde. De resultaten van dit onderzoek zijn momenteel nog niet beschikbaar.

Impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden

Aanleiding en doel
De studie, uitgevoerd voor de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht, onderzoekt de impact van het verhogen van de grondwaterstand en het oppervlaktewaterpeil in veenweidegebieden (20-40 cm onder maaiveld). Dit is in lijn met klimaatdoelen om CO2-uitstoot te reduceren, zoals beschreven in de Kamerbrief Water en Bodem Sturend (2022). Het rapport dient als basis voor bestuurlijke beeldvorming en vervolgonderzoek.

Aanpak en scenario’s
Vier scenario’s zijn onderzocht:

  1. Huidige situatie (2022)
  2. Grondwaterstand op 40 cm zonder waterinfiltratiesysteem (WIS)
  3. Grondwaterstand op 30 cm met WIS
  4. Grondwaterstand op 20 cm met WIS

Belangrijkste resultaten

  • Met een peil van 30 cm + WIS kan de klimaatdoelstelling van 274.870 ton CO2-reductie per jaar gehaald worden.
  • Hogere waterstanden verminderen CO2-uitstoot, maar leiden tot:
    • Meer wateroverlast en uitspoeling (slechtere waterkwaliteit).
    • Hogere wateraanvoerbehoefte, wat in droge zomers problematisch kan zijn.
    • Verminderde agrarische winstgevendheid, met grote financiële gevolgen voor melkveehouders.

Regionale verschillen
De effecten en efficiëntie van maatregelen verschillen per gebied. Zo zijn gebieden als Alblasserwaard en Krimpenerwaard effectief voor grote CO2-reductie, terwijl andere gebieden minder bijdragen. Maatregelen moeten dus per deelgebied worden afgestemd.

Beperkingen van de studie
De verkenning richt zich alleen op klimaatdoelen. Effecten van functieverandering (landbouw naar natuur), woningbouw en infrastructuur zijn niet onderzocht. Ook kosten-batenanalyses ontbreken, ondanks de vermoedelijk hoge kosten voor inrichting, compensatie en infrastructuur.

Conclusies en aanbevelingen

  • Het rapport biedt bouwstenen voor beleid, maar geen concrete besluiten.
  • Niets doen is geen optie; verdere vertraging moet worden voorkomen.
  • Bestuurlijke acties moeten per gebied worden afgestemd op haalbare oplossingen en draagvlak.

Kortom
De studie biedt waardevol inzicht in de effecten van hogere grondwaterstanden, maar roept vervolgonderzoek op naar sociale, economische en functionele gevolgen. Start met maatregelen in gebieden waar oplossingen evident zijn en draagvlak bestaat.

Je kan het rapport hier lezen: Impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden

VIPNL vraagt financiering aan voor nieuw onderzoek

VIPNL wil de komende jaren graag aan een aantal extra thema’s werken. Daarom hebben we bij het ministerie van LVVN een aanvraag ingediend voor extra financiering. Het gaat om zes thema’s.

 

Revisit WIS (waterinfiltratiesystemen)

Waterinfiltratiesystemen zijn een kostbare investering. Om ze succesvoller in te zetten, willen we graag onderzoeken hoe we installatie, beheer en onderhoud van waterinfiltratiesystemen kunnen verbeteren.

DIS (druppelinfiltratiesystemen)

Druppelinfiltratiesystemen zijn een goedkoper alternatief voor waterinfiltratiesystemen. We weten alleen nog niet of ze ook geschikt zijn om veenafbraak tegen te gaan. In dit thema willen we onderzoeken wat het effect is van druppelinfiltratie op onder andere de grondwaterstand, bodemvocht, bodemtemperatuur.

CO2-verwaarding

Hoe kunnen we zoveel mogelijk CO2 in het veenweidegebied besparen en verwaarden? Op een manier die toegankelijk is voor boeren en andere landeigenaren?

Veen aan Zee

Leidt verzilting tot minder veenafbraak? Dat is wat we vermoeden. Nu willen we het ook graag onderzoeken. Daarbij kijken we ook wat verzilting in de praktijk betekent voor veehouderij, natuur en ecosysteem.

Boeren op Hoog Water (verlenging)

Wat betekent een grondwaterstand van 20 cm onder maaiveld voor bodemdaling en melkveebedrijf. We hebben het al een paar jaar onderzocht op de Hoogwaterboerderij. Om meer data te verzamelen willen we het project verlengen.

Weide en Water

Welke invloed heeft vernatting op het gras (de voederwaarde en hoeveelheid), de opname van dat gras door het vee en de draagkracht van de graszode? Dit willen we onderzoeken als basis voor schaderegelingen en andere beleidsinstrumenten.